Met welke leerling moet de rijinstructeur korte stukken rijden en veel deelhandelingen oefenen?
A
Beginnende leerling
B
Gevorderde leerling
C
Met een leerling die een motorrijbewijs heeft
1 / 57
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding
This lesson contains 57 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Met welke leerling moet de rijinstructeur korte stukken rijden en veel deelhandelingen oefenen?
A
Beginnende leerling
B
Gevorderde leerling
C
Met een leerling die een motorrijbewijs heeft
Slide 1 - Quiz
De rijinstructeur heeft te maken met en nerveuze leerling. Hoe moet hij de leerstof aanbieden?
A
Kleine leerstapjes.
B
De demonstratie vaker herhalen.
C
Veel meer uitleg geven.
Slide 2 - Quiz
De rijinstructeur heeft te maken met een leerling die traag van begrip is. Hoe moet hij de leerstof aanbieden?
A
Kleine leerstapjes.
B
De demonstratie vaker herhalen.
C
Veel meer uitleg geven.
Slide 3 - Quiz
Een beginnende leerling moet afslaan naar links. Op enige afstand zie je een VOP. De leerling rijdt er met een te hoge snelheid op af. Wat kan de rijinstructeur het beste doen in deze situatie?
A
Ja zegt: "heb je de VOP al gezien, rem maar af"
B
Je zegt niks en wacht af wat leerling gaat doen"
C
Je remt iets af en zegt: "er komt een VOP
Slide 4 - Quiz
Welke fout bij het invoegen maken de meeste leerlingen?
A
Stuurhouding
B
Schakelen
C
Controle dode hoek.
Slide 5 - Quiz
U gaat met uw leerling invoegen oefenen. De leerling voegt te snel in. Wat doet de leerling niet goed?
A
Ruimtekussen niet in acht genomen.
B
Snelheidsregeling is onjuist.
C
Positie bepalen is niet in orde.
Slide 6 - Quiz
U gaat met uw leerling invoegen oefenen. De leerling voegt te laat in. Wat is de oorzaak van te laat invoegen?
A
Ruimtekussen niet acht genomen.
B
Snelheidsregeling onjuist.
C
Niet ver vooruitgekeken.
Slide 7 - Quiz
Uw leerling in de fase van EVS voert een situatie, die hij nog niet heeft gehad, goed uit. Wat zegt u?
A
Goed zo.
B
U complimenteert hem en vraagt waarom hij dat zo heeft opgelost.
C
U zegt niets.
Slide 8 - Quiz
De leerling moet in een vak parkeren waarbij rechts en links geen voertuigen staan. Voor welke leerling is deze locatie het meest geschikt?
A
Leerling in de beginfase van opleiding
B
Leerling in de fase van EVS.
C
Leerling in de fase van CVS
Slide 9 - Quiz
Met het begrip "leeractiviteit" bedoelen wij de manier waarop:
A
Wanneer de instructeur de leerling in aanraking brengt met de leerstof.
B
De leerling en instructeur werken aan het bereiken van de leerdoelen.
C
Wanneer de leerling de leerstof eigen maakt.
Slide 10 - Quiz
Je wil een einddoelstelling bereiken met je leerling. Welke doelstelling wil je met je leerling bereiken?
A
Een doelstelling uit het lesplan.
B
Een doelstelling uit het leerplan.
C
Een doelstelling die is vastgesteld door het CBR.
Slide 11 - Quiz
De leerling is behoorlijk ver gevorderd in de opleidingsfase van rijden in een eenvoudige verkeerssituaties. De eerst volgende les wilt u met de leerling file parkeren oefenen. Hoe moet de lesopbouw eruitzien? Je wilt namelijk dat de leerling voldoende kan oefenen en gemotiveerd blijft.
A
U kiest een straat uit met geparkeerde auto's en oefent daar de hele les fileparkeren.
B
U rijdt een route en stopt aan het einde van de les om een paar keer te oefenen met fileparkeren.
C
Je rijdt een route waarbij je onderweg een paar keer stopt om file parkeren te oefenen.
Slide 12 - Quiz
Uw leerling zit in de fase van EVS. U wilt rechts afslaan op kruispunten gaan oefenen. Hoe pakt u dit aan?
A
Tijdens het rijden opdracht geven af te slaan en zelf de stappen van het rechts afslaan hardop verwoorden.
B
Op een stille plaats de stappen uitleggen met behulp van een tekening.
C
De leerling laten afslaan en zelf hardop laten verwoorden wat hij aan het doen is.
Slide 13 - Quiz
De leerling zit in de laatste fase van de rijopleiding. Je rijdt een lesroute die je reeds had gepland. Dit gaat prima, maar je komt plotseling in een mistbank terecht. Wat kan je het beste doen in deze situatie?
A
U laat de les gewoon doorgaan.
B
U kiest met de leerling een vervolg route die minder mistgevoelig is
C
U laat de leerling stoppen en u rijdt de leerling zelf naar huis
Slide 14 - Quiz
Onder normale omstandigheden haalt een leerling op 80 wegen met een bepaalde routine in. Maar als er niet voorziene dingen gebeuren, waarbij extra aandacht gewenst is, komt hij bij het inhalen nog vaak in de problemen. Wat is het beheersingsniveau van deze leerling?
A
Cognitief beheersingsniveau.
B
Geautomatiseerd niveau.
C
Half geautomatiseerd.
Slide 15 - Quiz
U bereidt een eerste rijles voor. Welke van onderstaande onderdeel komt als eerste aan de orde?
A
Afstellen spiegels.
B
Stuurhouding.
C
Zithouding.
Slide 16 - Quiz
Wat bepaalt in de eerste plaats welke didactische werkvorm je gaat kiezen?
A
De beschikbare tijd.
B
De voorkeur van de rijinstructeur.
C
De te behandelen leerstof. (doelstelling)
Slide 17 - Quiz
U bedenkt tijdens de les, welke route u met de leerling gaat rijden. Wanneer kunt u dat het beste doen om uw lestijd zo effectief mogelijk te besteden?
A
Aan het begin van de les.
B
In de lesvoorbereiding.
C
Bij het begin van de rijopleiding.
Slide 18 - Quiz
Wanneer is er sprake van transfer van vaardigheden?
A
Als de instructeur de leerling een vaardigheid demonstreert.
B
Als er bij de leerling sprake is van vorming van een automatisme.
C
Als de leerling een aangeleerde vaardigheid toepast in een vergelijkbare situatie.
Slide 19 - Quiz
Aan het einde van de rijles 'rechts afslaan' maakt de leerling bij het zelfstandig uitvoeren nog steeds wat foutjes. Wanneer kan je het beste commentaar geven?
A
Door meteen na de gemaakte fout commentaar te geven.
B
Door meteen de leerling te vragen wat er fout ging en waarom.
C
Aan het einde van de les commentaar geven.
Slide 20 - Quiz
Tijdens de eerste rijles begint de rijinstructeur met de leerling gasgeven, koppeling en bedienen van de versnelling op een afgesloten terrein. De volgende les wil hij met het bovenstaande verder. Wat moet de doelstelling zijn van die les?
A
De leerling kan in het gewone verkeer zelfstandig schakelen.
B
De leerling kan in het gewone verkeer met assistentie van de rijinstructeur schakelen.
C
De leerling kan aan het einde van de les zelfstandig bovenstaande op een afgesloten terrein.
Slide 21 - Quiz
Een instructeur bereidt een les voor met een leerling die begint met het rijden in EVS. De instructeur kiest een 60 km/u weg met vuilnisbakken. Deze situatie ....
A
Deze situatie is juist geschikt in deze fase.
B
Deze situatie is te gemakkelijk voor een leerling in deze fase.
C
De situatie is te complex voor een een leerling in deze fase.
Slide 22 - Quiz
Je gaat met de leerling voor het eerst achteruit fileparkeren. Je gaat stap voor stap instructie toepassen. Wat zal het gevolg kunnen zijn voor deze leerling?
A
Hij zal weinig fouten maken bij het achteruit fileparkeren.
B
Hij weet precies waar hij met achteruit fileparkeren moet beginnen.
C
Hij leert alle onderdelen van fileparkeren goed aan.
Slide 23 - Quiz
De leerling is bijna klaar voor zijn praktijkexamen. Op de autosnelweg voegt hij in met het zweet op zijn voorhoofd. In dat geval gaat hij fouten maken. Toch heeft hij meerdere keren laten zien dat hij het wel goed kan als het moeilijk is. Wat kan de belangrijkste oorzaak hiervan zijn?
A
De leerling heeft stress.
B
De leerling is een trillseeker.
C
De leerling heeft faalangst.
Slide 24 - Quiz
De fase van de voertuigbediening en de voertuigbeheersing is achter de rug. De leerling kan het voertuig zelfstandig bedienen. Je gaat een aantal lessen plannen. Welk onderwerp moet je didactisch gezien als laatste gaan behandelen?
A
Wegrijden en stoppen.
B
Inhalen.
C
Berijden van kruispunten.
Slide 25 - Quiz
U plant een les bocht achteruitrijden en kiest daarbij voor een rustige 30km-zone. Voor welke fase in de opleiding is deze route het meest geschikt?
A
Vooral in de fase van EVS.
B
Vooral in de eindfase van de rijopleiding.
C
Vooral in de fase van zelfstandig rijden.
Slide 26 - Quiz
Je wil de leerling alleen aanwijzingen geven over zijn kijkgedrag. Welke stap van de mentorfase wordt ten uitvoer gebracht.
A
Doe met mij mee.
B
Doe op aanwijzing.
C
Doe op minder aanwijzing.
Slide 27 - Quiz
U rijdt met uw leerling bij wegwerkzaamheden. Het gaat om het aanpassen van rijgedrag in bijzondere situaties. Dit is een voorbeeld van:
A
Doelgericht lesvoorbereiding.
B
Effectieve lestijd optimaal benutten.
C
Anticiperen op gevaar.
Slide 28 - Quiz
Voor welke leerling is de situatie met een flauwe helling geschikt, om de hellingproef te oefenen?
A
Voor de leerling in de eindfase van de rijopleiding.
B
Voor geen enkele leerling is deze situatie geschikt.
C
Voor een leerling die dit nog nooit gedaan heeft.
Slide 29 - Quiz
Wat is een handelingsanalyse?
A
Alleen verkeershandelingen tijdens een praktische les.
B
Een complexe handeling die in deelhandelingen is onderverdeeld.
C
Het analyseren van door de leerling uitgevoerde handelingen.
Slide 30 - Quiz
Een leerling wil zo snel mogelijk zijn rijbewijs halen. Het autorijden vindt hij ondergeschikt. Sociaal rijgedrag is een probleem voor hem. Hoe ga je dit oplossen?
A
Je vraagt aan de leerling de hardop denkmethode toe te passen bij een aantal kritische situaties.
B
Je vraagt bij elke situatie waar sociaal rijgedrag aan de orde is naar het waarom van zijn gedrag.
C
Je geeft bij de samenvatting een voorbeeld waarbij de leerling zich in de andere verkeersdeelnemers moet plaatsen.
Slide 31 - Quiz
De instructeur wil een leerling aanleren hoe hij het achteruitrijden met een aangegeven bocht correct moet uitvoeren. Wat kan je het beste doen in deze situatie?
A
Minimaal 2 keer direct achter elkaar op dezelfde plaats oefenen.
B
Op twee verschillende locatie 1 keer oefenen.
C
Een keer oefenen op één plaats en de volgende les opnieuw ergens anders oefenen.
Slide 32 - Quiz
Wanneer kan je het beste 'milieu- en energiebewust rijgedrag' bij de lessen betrekken?
A
Bij de fase van 'voertuigbeheersing'.
B
Einde van de fase CVS.
C
Einde van de fase EVS.
Slide 33 - Quiz
In welke fase van de opleiding moet de leerling milieubewust kunnen rijden?
A
In de fase van EVS.
B
In de fase van de voertuigbeheersing.
C
In de laatste fase van de opleiding.
Slide 34 - Quiz
Een instructeur rijdt met de leerling binnen de bebouwde kom. Een paar kinderen fietsen voor de auto "breed" waardoor de leerling die niet kan inhalen. De leerling raakt hierdoor geïrriteerd. Wat is didactisch het beste in deze situatie?
A
Een route kiezen met minder fietsers.
B
De irritatie meteen met de leerling bespreken.
C
Je zegt dat de leerling zicht niet zo moet ergeren aan de fietsers.
Slide 35 - Quiz
De leerling zit in de fase van EVS. Hij rijdt te langzaam. Welke vraag kan je didactisch gezien het beste stellen?
A
Je vraagt: "waarom rijdt je zo langzaam".
B
Je vraagt: "wat is hier de maximumsnelheid op deze weg".
C
Je zegt: 'Je hebt het door dat je te langzaam rijdt hé, geef eens gas bij".
Slide 36 - Quiz
Je hebt te maken met een nerveuze leerling die reeds op een parkeerterrein de doorgeef- stuurmethode heeft geoefend. Op welke locatie ga je dit verder oefenen?
A
Op de autosnelweg
B
Rijden in een bochtige weg.
C
Op een minirotonde
Slide 37 - Quiz
De rijinstructeur wordt gebeld door een leerling met een vraag. De instructeur zegt dat hij met een rijles bezig is en dat hij niet in de gelegenheid is om op die vraag in te gaan. Hij zegt verder dat hij later zal terugbellen. Wat is didactische het gevolg hiervan?
A
Verlies aan leertijd is op dat moment minimaal.
B
De bellende leerling leert op andere momenten te bellen.
C
De bellende leerling krijgt geen of te weinig informatie.
Slide 38 - Quiz
Een instructeur heeft een leerling die de les van vandaag weer niet heeft voorbereid. Wat kan de instructeur het beste doen?
A
Gewoon doorgaan met de nieuwe les.
B
Door vragen te stellen de leerling laten merken dat hij de les had moeten voorbereiden.
C
Teruggaan naar de vorige les. Het nieuwe onderdeel dus niet behandelen.
Slide 39 - Quiz
Een leerling zit net een paar lessen voor zijn praktijkexamen. Hij rijdt over het algemeen goed, maar moet vooral leren zelfstandig te rijden. Wat kunt u het beste doen om de leerling voldoende uit te dagen?
A
U geeft de leerling enkele aanwijzingen hoe hij naar een bepaald punt, bijvoorbeeld gemeentehuis moet rijden.
B
U laat de leerling kiezen uit drie bestemmingen waar hij zelf heen mag rijden.
C
U laat de leerling naar een bepaald punt rijden in een andere stad.
Slide 40 - Quiz
De rijinstructeur plant zijn volgende rijles. De leerling bevind zich in de beginfase van EVS. Welke mix van lesactiviteiten ga je plannen voor deze leerling?
A
Meer nadruk op deeltaken oefenen en minder op rijden van lange stukken.
B
Ongeveer de helft van de les deeltaken oefenen en ongeveer de helft lange stukken rijden.
C
Meer nadruk op lange stukken rijden en minder op deeltaken oefenen.
Slide 41 - Quiz
Wat mag de rijinstructeur bij de uitleg in een les bijvoorbeeld "parkeren" zonder meer met de leerling bespreken?
A
Wat de leerling aan het einde van de les moet kennen en kunnen.
B
Welke lesonderdelen je hebt gepland.
C
De belangrijke stappen en kritieke punten van dat onderdeel en de foutgedraging.
Slide 42 - Quiz
De leerling zit in de fase van rijden in EVS. Je rijdt met de leerling met een stormachtige wind buiten de bebouwde kom. De route had je zodanig gepland dat je over een dijk met bomen moet rijden. Wat kan je didactisch gezien in deze situatie het beste doen?
A
Je laat de leerling de reeds geplande route rijden.
B
Je laat de leerling een andere route berijden.
C
Je waarschuwt de leerling voor windstoten. Je laat echter dezelfde route rijden.
Slide 43 - Quiz
Je bent bezig met de voorbereiding van de les 'halve draai' . De vorige les had je terugschakelen geoefend. Hoe leg je het verband tussen de bekende en de nieuwe les.
A
Je besteedt bij controle aanvangsniveau extra aandacht aan stoppen en wegrijden op een vlakke weg
B
Je vertelt de leerling dat hij enkele elementen van de vorige les vandaag ook weer nodig heeft.
C
Je vraagt aan de leerling welke handelingen hij reeds gehad heeft bij het huiswerk die deze les weer terugkomen .
Slide 44 - Quiz
Een leerling heeft de fase CVS geheel afgerond. De volgende les is de bedoeling dat de leerling een route zoveel mogelijk zelfstandig gaat rijden. Je gaat een lesplan maken. Op welke 2 activiteiten moet je de nadruk leggen?
A
Je gaat coachen en je laat de leerling hard op vertellen.
B
Je gaat hardop denken en je laat de leerling hardop denken
C
Jij gaat Instructie geven en je laat de leerling hardop denken.
Slide 45 - Quiz
In welke fase van de mentorfase worden alleen nog de belangrijke stappen genoemd?
A
Doe met mij mee.
B
Doe op aanwijzing.
C
Doe op minder aanwijzing.
Slide 46 - Quiz
De leerling bevindt zich in de fase van EVS. Waar is deze situatie het meest geschikt voor? Een rijbaan heeft aan weerszijden fietsstroken. De rijbaan is vrij smal. En slingert van links naar rechts.
A
Het aanleren van opschakelen
B
Het aanleren van inhalen
C
Positie bepalen.
Slide 47 - Quiz
Een instructeur plant een theorieles met een groepje van 10 leerlingen. Hij wil in 1e instantie een groepsopdracht laten maken en in 2e instantie een onderwijsleergesprek houden in het kader van verkeersmentaliteit. Wat is didactisch gezien de beste groepsopstelling bij deze 2 didactische werkvormen.
A
De opdracht in groepjes en het onderwijsleergesprek in rijen.
B
De opdracht in groepjes en het onderwijsleergesprek in u vorm.
C
De opdracht in rijen en het onderwijsleergesprek in u vorm.
Slide 48 - Quiz
Je hebt een leerling, die in de eindefase zit van de opleiding en toch nog snel gedesintegreerd raakt. Hoe kan je dit zoveel mogelijk voorkomen?
A
Door in plaats van coachen veel instructie te geven.
B
Door regelmatig hints te geven.
C
Door einde van de les uitgebreide feedback te geven.
Slide 49 - Quiz
De leerling is bezig met het rijden in EVS. De leerling maakt nog veel fouten in de bedieningsfase. Welke situatie is het meest geschikt voor de volgende les? Situatie 1. 1 rijbaan. 30 km zone. Suggestiestroken. Op deze strook 2 fietsers. Situatie 2. 1 rijbaan. Asstreep. Winkelstraat. Situatie 3. 1 rijbaan. 30 km zone. Rechts parkeervakken om vooruit/achteruit te parkeren.
A
Allen situatie zijn geschikt.
B
Situatie 3 is geschikt.
C
Situatie 2 en 3 zijn geschikt.
Slide 50 - Quiz
Een leerling zit in de beginfase van de opleiding. Je rijdt eerst met de leerling naar een lege parkeerplaats en oefent daar het sturen met de doorgeef methode. Omdat dit goed gaat, kies je vervolgens een route op de openbare weg. Welke situatie zal voor deze leerling de minste stress opleveren?
A
Een weg met eenvoudige kruispunten
B
Een erf en een 30 km/u zone
C
Een weg buiten de bebouwde kom met een maximum snelheid van 60 km/u
Slide 51 - Quiz
Wat is de meest passende didactische functie van een videocamera bij een praktijkles?
A
Aan de hand van de beelden uitleggen welke dingen de leerling nog fout doet.
B
De beoordeling voor de instructeur eenvoudiger maken.
C
De leerling achteraf de beelden laten zien en bespreken wat goed en minder goed ging.
Slide 52 - Quiz
Je weet dat de leerling positief faalangstig is en je wil in deze les kruispunten gaan behandelen. Hoe kunt u dan het beste een route plannen?
A
U plant een route waarin u alle stappen kunt behandelen en waarbij verschillende kruispunten aan bod komen.
B
U plant een route waarin veel verschillende kruispunten zitten
C
U plant een uitdagende route met veel verkeer
Slide 53 - Quiz
Je rijdt op een rijbaan van een autosnelweg met een korte invoegstrook. Op de doorgaande rijbaan is veel verkeer Voor wie is deze situatie geschikt?
A
Als de leerling het invoegen voor de eerste keer moet oefenen.
B
Als de leerling het invoegen al een paar keer heeft geoefend.
C
Als de leerling het invoegen heeft geautomatiseerd.
Slide 54 - Quiz
Waarin komt het opleidingsaanbod van de rijschool en de globale opzet van de leerstof en de examens aan de orde?
A
Leergang.
B
Leerplan.
C
Lesplan.
Slide 55 - Quiz
Je leerling spiegelt nog niet goed bij het wegrijden. Je wil op dat moment met hem een parkeervak verlaten, maar je twijfelt of hij al dan niet gezien heeft wat er om hem heen gebeurt. Wat kun je doen om dit te controleren?
A
Wachten tot hij niet goed kijkt en er dan direct iets van zeggen.
B
Hem vragen hardop te denken bij het wegrijden.
C
Achteraf vragen wat hij fout had gedaan.
Slide 56 - Quiz
Een instructeur rijdt met de leerling tijdens de eerste rijles een leeg parkeerterrein op. Hij leert de leerling sturen en gas geven. Hij merkt dat de leerling na twee rondjes niet veel plezier heeft in de les. Hoe kan je de leerling verder uitdagen?
A
Pionnen plaatsen en daar met lage snelheid tussendoor laten sturen.
B
Pionnen plaatsen en vragen zo snel mogelijk foutloos langs de pionnen te sturen.
C
Naar een rustige woonwijk rijden en daar verder oefenen.