Les van 13 mei

Les van 17 mei

-  Test over thema 6;
- Woordenschat bij "Een goed mop";
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 5 (volgende week dictee);
- Werkwoordspelling.

1 / 48
next
Slide 1: Slide
Nederlands8th Grade

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les van 17 mei

-  Test over thema 6;
- Woordenschat bij "Een goed mop";
- Dictee;
- Spelling: vervolg Thema 5 (volgende week dictee);
- Werkwoordspelling.

Slide 1 - Slide

Taal test thema 6

We gaan nu de Taaltest doen over Thema 6

Slide 2 - Slide

Woordenschat
Woordenschat bij de tekst "Een goede mop".
Pak je nieuwe werkboekje "Ik help" (met de pleister)

Slide 3 - Slide

Woordenschat

Ga naar blz. 10 en maak de "eerst proberen" oefening

Slide 4 - Slide

Woordenschat

Maak daarna oefening 1 op blz. 10

Slide 5 - Slide

Woordenschat

Maak daarna oefening 1 op blz. 10

Slide 6 - Slide

Woordenschat

Ra, ra wat is het?

Maak de volgende oefeningen

Slide 7 - Slide


Dit is een tijdstip op een bepaalde datum dat iets af moet zijn.

Kies uit: het concern, de deadline, de frats, de mime, de offerte, het plagiaat.


Slide 8 - Open question


Dit is het stelen van andermans tekst of ideeën.

Kies uit: het concern, de deadline, de frats, de mime, de offerte, het plagiaat.


Slide 9 - Open question

Woordenschat

Maak oefening 2 op blz. 11 verder af.

Slide 10 - Slide

Woordenschat


Welk woord past bij de zin?

Slide 11 - Slide

Ik heb de tekst aangepast en verbeterd.

Kies uit: de cliënt, de offerte, de versie

Slide 12 - Open question

Ik weet echt niet meer wat ik moet doen!

Kies uit: geniaal, naïef, ten einde raad zijn

Slide 13 - Open question

Woordenschat

Maak oefening 3 op blz. 11 verder af.

Slide 14 - Slide

Zie les van 18 april voor groep 8 (werkwoordelijk gez en naamw. gez)

Slide 15 - Slide

Pv, gez en ow?
Ontleed deze zin: 

 Tobias heeft zojuist zijn tas ingepakt.

Slide 16 - Slide

Pv, gez en ow?
Hij heeft zojuist zijn tas ingepakt:
pv: heeft
gez: heeft gepakt
ow: Tobias

Slide 17 - Slide

Doen- zinnen en zijn-zinnen

Slide 18 - Slide

Spreekwoord 
 
Is een onveranderlijke, volledige zin met een levensles
 (bijv. "Rust roest"). 

Slide 19 - Slide

Uitdrukking

Is een flexibel zinsdeel, vaak figuurlijk, zonder moraal 
(bijv. "iets met hart en ziel doen”)

Slide 20 - Slide

Spreekwoord 
Definitie: Een korte, krachtige uitspraak die een algemene waarheid, volkswijsheid of levensles uitdrukt.
Kenmerken: Het is een volledige zin, vaak in de tegenwoordige tijd, die niet veranderd kan worden.

Voorbeelden:
o Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. (Het is beter iets kleins te hebben dan iets groters te begeren dat onzeker is).
o De appel valt niet ver van de boom. (Kinderen lijken vaak op hun ouders).
o Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. (Als er geen (Als er geen toezicht is, doen mensen waar ze zin in hebben)

Slide 21 - Slide

Uitdrukking
Definitie: Een vaste combinatie van woorden met een figuurlijke betekenis die niet direct een levensles bevat.
Kenmerken: Vaak een zinsdeel, niet de hele zin. Ze kunnen grammaticaal worden aangepast (vervoegd).

Voorbeelden:
o Lachen als een boer met kiespijn. (Zuur lachen, lachen om iets wat eigenlijk niet leuk is).
o Iemand een handje helpen. (Iemand ondersteunen).
o Met hart en ziel. (Iets met heel veel toewijding

Slide 22 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen
Belangrijkste Verschillen
Vorm: Een spreekwoord staat vast (bijv. "De aap komt uit de mouw" kun je niet veranderen in "Het aapje komt uit de mouw") een uitdrukking niet.
• Een uitdrukking kun je vervoegen (bijv. "Hij hielp me een handje" / "Zij helpen me een handje").
Inhoud: Spreekwoorden bevatten een levenswijsheid; uitdrukkingen en gezegden zijn vaak figuurlijke beschrijvingen van een situatie

Slide 23 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

- Zowel spreekwoorden als uitdrukkingen maken deel uit van de beeldspraak en maken een taal levendiger en cultuurgebonden;

- Spreekwoorden en uitdrukkingen zijn weet-dingen: je moet ze leren.

Slide 24 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Ga naar blz. 31 van je Taalboek en maak oefening 1 & 2

Slide 25 - Slide

Spreekwoorden en uitdrukkingen

Ga daarna naar blz. 40 en maak daar ‘eerst proberen’ en daarna oefening 1

Slide 26 - Slide

Spelling

We gaan verder met Thema 5

Slide 27 - Slide

Klein dictee
We gaan weer even een klein dictee doen.  We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alle en daarna druk je op 'send'.

Slide 28 - Slide


Slide 29 - Open question

Spelling

Werkwoord vervoeging

Slide 30 - Slide

Werkwoord vervoeging
Bekijk de volgende schema.

Ik stuur het je ook toe: print het (liefst in kleur), doe het in een plastic mapje en houd het voortaan altijd bij de hand.

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 33 - Slide

Hij (pakken) iets uit de kast.

Slide 34 - Open question

Jij (rijden) veel te hard.

Slide 35 - Open question

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 36 - Slide

Tegenwoordige tijd


UITZONDERING:


Als er 'je' of 'jij' achter het werkwoord staat: nooit een 't' toevoegen.

Slide 37 - Slide

Tegenwoordige tijd
Bijvoorbeeld:


Slaap je altijd met de gordijnen open?

Neem je meestal koffie mee naar het werk?

Dus ook: Word je ook zo moe van de hitte?


Slide 38 - Slide

Tegenwoordige tijd
Maar ALLEEN als het om jou gaat:

Slaapt je moeder altijd met de gordijnen open?

Neemt je zus meestal koffie mee naar het werk?
Dus ook: Wordt je broer ook zo moe van de hitte?

Slide 39 - Slide

Waarom ........ (beladen) jij het dak van de auto zo zwaar?

Slide 40 - Open question

Waarom (worden) je moeder altijd boos als je niet op tijd thuiskomt?

Slide 41 - Open question

De uitspraak van de minister ........ veel opzien.

A
baardden
B
baardde
C
baarden
D
baarde

Slide 42 - Quiz

Zij werd al fysiek ........(bedreigen) door haar buurman en nu ........ (bedreigen) hij haar ook via social media.

Slide 43 - Open question

Heb je al gevoeld hoe mijn voorhoofd ........ ?


gloeidt


A
gloeid
B
gloeit
C
gloeidt
D
gegloeid

Slide 44 - Quiz

Hij (realiseren) ............ zich dat zijn auto geen benzine meer (hebben)................ en (belanden) ............. langs de kant van de weg.

Slide 45 - Open question

De chauffeur heeft de bus vakkundig door de smalle straatjes ........
A
gemanoeuvreerd
B
gemanouvreerd
C
gemanoeuvreert
D
gemanouvreert

Slide 46 - Quiz

Zij (volgen) .............. altijd de laatste mode en (kleden)................ zich daarnaar

Slide 47 - Open question

De weduwe van de ........ juwelier ........ vorige week bij de rechtszaal de moordenaar bijna.
A
vermoordde - vermoordde
B
vermoordde - vermoorde
C
vermoorde - vermoorde
D
vermoorde -vermoordde

Slide 48 - Quiz