B2a

B2a

Learning objective

1 / 19
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconoomSpeciaal OnderwijsLeerroute 3

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 2 min

Items in this lesson

B2a

Learning objective

Waar gaat de tekst over?


Kijk naar de titel en de plaatjes

A

Een leuke vakantie in Egypte.

B

Een zusje op de waterglijbaan.

C

Leren en examen doen.

Wat voor tekst is dit?

A

Een boek

B

Een brief

C

Een stripboek

Wie schrijft deze brief?

A

Anwar

B

Lieke

C

Laila

Wie krijgt de brief?

A

Anwar

B

Lieke

C

Laila

Waar is Anhar al een week?

A

Thuis

B

In het zwembad

C

In Egypte

'er' is een plaats

Ik ben in het lokaal. Ik ben alleen in het lokaal.

Ik ben in het lokaal. Ik ben er alleen.

Ik ben op school. Mijn klasgenoten zijn ook op school.

Ik ben op school. Mijn klasgenoten zijn er ook.

De school is helemaal leeg. Er is niemand



er = ...

A

Het lokaal

B

De school


Mijn les was klaar om 15.00. Nu ben ik in het restaurant.

Er eten veel mensen .


er = ...


John komt 5 minuten te laat. Zijn bus was te laat. Hij doet de deur van het lokaal open. De docent zegt:

"Hee John, goed dat je er bent! Ga snel zitten."



Waar is John?

Wat gaat Lieke morgen waarschijnlijk doen?

A

Lieke gaat snorkelen en visjes kijken onder water.

B

Lieke gaat leren voor een examen.

C

Lieke gaat van de waterglijbaan af

D

Lieke gaat een examen doen

Hoe lang duurt de vakantie van Anwar?

A

Eén week

B

Volgende week

C

Twee weken

Lieke is ook op vakantie.

A

Waar

B

Niet waar

Welke woorden horen bij tekst 1 Vakantiebericht?

A

Egypte, zwemmen en snorkelen, lekker weer, zusje van Anwar.

B

Zwembad en zee, moeder van Anwar, zusje van Anwar.

C

Leren voor examen, Egypte, broer van Anwar, zwemmen en zee.

D

Answer D

Zet de zinnen in de goede volgorde.

1

Anwar is op vakantie in Egypte.

2

Daar eet Anwar elke avond buiten.

3

Anwar is volgende week weer thuis.

4

Morgen gaat Anwar snorkelen.

Wat is goed?



Snorkelen

A

Anwar snorkelt in de zee.

B

Anwar snorkelt op de berg.

Wat is goed?



Waterglijbaan

A

Ik zie een waterglijbaan in de dierentuin.

B

Ik zie een waterglijbaan in het zwembad.

Wat is goed?



Heerlijk

A

Hij heeft pijn in zijn been, dat is heerlijk.

B

Hij eet rijst met kip, dat is heerlijk.