Woche 44 les 2 voorzetsels met de derde naamval

DEUTSCH
 Willkommen im Deutschunterricht     
- Setzt euch (plattegrond)
- Kauwgummi  ausspucken
- Bücher auf dem Tisch
1 / 20
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

DEUTSCH
 Willkommen im Deutschunterricht     
- Setzt euch (plattegrond)
- Kauwgummi  ausspucken
- Bücher auf dem Tisch

Slide 1 - Slide

Einleitung (les 1)
Der Wochenarbeitsplan 5-10-2026 - 9-10-2026

Inleiding Kapitel 2: Freunde nah und fern. 
Overnemen vertalingen Wortschatz Seite 46 bis einschließlich 49. 
Aantekening der/ein Gruppe 1e naamval + 3e naamval+ voorzetsels 3e naamval
Taak 4: Moodle week 44

Slide 2 - Slide

Einleitung (les 1)
Der Unterrichtsplan Woche 44 les 1  


1. Rückblick 1e en 3e naamval

2. uitleg voorzetsels 3e naamval (schema der en ein-groep)






                            

   
















Slide 3 - Slide

Die Lernziele:

- ik weet welke voorzetsels bij de 3e naamval horen

- ik ken de betekenis van de voorzetsels van de 3e naamval. 

- ik kan de 3e naamval juist toepassen in zinnen. 











Slide 4 - Slide

Einleitung (les 1)
Der Unterrichtsplan Woche 44 les 2  

- Rückblick

- uitleg voorzetsels 3e naamval

- oefenen toepassen van de 1e en 3e naamval

- Moodle. 

















Slide 5 - Slide

Waar staat de eerste naamval voor?
A
gezegde
B
onderwerp
C
lijdend voorwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 6 - Quiz

Waar staat de derde naamval voor?
A
gezegde
B
onderwerp
C
lijdend voorwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 7 - Quiz

Waar staat de vierde naamval voor?
A
gezegde
B
onderwerp
C
lijdend voorwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 8 - Quiz

Kies uit: der/dem of die ?
Der Verkäufer schenkt der/dem/die Frau (v) einen Blumenstrauß
A
der Frau
B
dem Frau
C
die Frau

Slide 9 - Quiz

Hoe vind je de zinsdelen?
Onderwerp
Gezegde
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
2. Alle werkwoorden in een zin.
3. wie/wat + ww. gezegde?
4. wie/wat + ww. gezegde + onderwerp?
5. aan wie + ww. gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 10 - Drag question

Die Fälle - Präpositionen (voorzetsels)
3. Fall
aus
uit
bei
bij
mit
met
nach
na/ naar
seit
sinds
von
van
zu
naar

Slide 11 - Slide

Bijvoorbeeld: 

- Ich komme mit ein_____ Freund (m) nach Hause. 

1. scan op voorzetsels 
Staat er een voorzetsel in de zin? Ja > mit = 3e naamval
Geslacht zelfstandig naamwoord > Freund = mannelijk
ein hoort bij de ein-groep. 
Zoek op in het schema > einem



Slide 12 - Slide

Stappenplan:

1. scan de zin op voorzetsels: aus, bei, mit, nach, seit, von, zu.
2. Staat er een voorzetsel in de zin? Ja > 3e naamval > check het geslacht van het zelfstandig naamwoord (m/v/o of meervoud) > 
Bepaal of het woord bij de der of ein-groep hoort > vul de juiste uitgang in. 
2. Staat er een voorzetsels in de zin? Nee > ontleed de zin om te kijken in welke naamval het zinsdeel staat: 1e = ow, 3e = mw, 4e = lv. > check het geslacht van het zelfstandig naamwoord (m/v/o of meervoud) > Bepaal of het woord bij de der of ein-groep hoort > vul de juiste uitgang in. 

Slide 13 - Slide

bij
naar 
van
na/naar
uit
met
sinds
aus
nach
mit
bei
zu
von
seit

Slide 14 - Drag question

Ich habe mit d____ Lehrerin (v) gesprochen.
A
die
B
der
C
den
D
dem

Slide 15 - Quiz

Zu (het) Haus (o) gehört ein großer Garten.
A
dem
B
der
C
den
D
die

Slide 16 - Quiz

Simon und Leila gehen nach (de) Großeltern ins Haus.
A
dem
B
der
C
den
D
die

Slide 17 - Quiz

Ich wohne seit (een) Jahr (o) in Berlin.
A
ein
B
einer
C
einen
D
einem

Slide 18 - Quiz

Er bekam ein Kompliment von (de) Eltern (mv).
A
die
B
der
C
das
D
den

Slide 19 - Quiz

 die Hausaufgaben:  Mein Wortschatz Arbeitsbuch Seite 46 bis 49 Bedeutung übernehmen. NL-D
maakwerk: Moodle opdrachten week 48
lernen: aantekening voorzetsels 3e naamval. 

 

Slide 20 - Slide