epistula 81, paragraaf 19

epistula 81, paragraaf 19
Nodig: 
  • koptelefoon/oortjes
  • streepboekje
  • aantekeningen
Opdracht:
Bekijk de video op de volgende slide en maak aantekeningen bij de tekst. Maak daarna de rest van deze LessonUp.
Tip: je kunt ook de video en de vragen steeds per zin/zinsdeel doen.
1 / 28
next
Slide 1: Slide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

epistula 81, paragraaf 19
Nodig: 
  • koptelefoon/oortjes
  • streepboekje
  • aantekeningen
Opdracht:
Bekijk de video op de volgende slide en maak aantekeningen bij de tekst. Maak daarna de rest van deze LessonUp.
Tip: je kunt ook de video en de vragen steeds per zin/zinsdeel doen.

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

Wat is waar over faciendum (134)?
A
Het is een gerundium, want het congrueert niet
B
Het is een gerundium, want het is nd (gerundium van verplichting)
C
Het is een gerundiVum, want het congrueert niet
D
Het is een gerundiVum, , want het is nd (gerundium van verplichting)

Slide 3 - Quiz

Wat is waar over gratissimi (134)?
A
het is een superlativus, nom m mv
B
het is een superlativus, gen m ev
C
het is een ppp, nom m mv
D
het is een ppp, gen m ev

Slide 4 - Quiz

Wat is waar over Nostrum (134)?
A
Dit is acc ev m omdat het LV is
B
Dit is nom ev onz omdat het een bvb bij bonum is.
C
Dit is gen mv m, omdat het een bvb bij bonum is.
D
Het is een bijwoord

Slide 5 - Quiz

Wat is waar over hoc (134)?
A
Het verwijst naar: omnia facienda sunt
B
Het verwijst naar: iustitia
C
Het verwijst naar: ad alios pertinens
D
Het verwijst naar: magna pars eius in se redit

Slide 6 - Quiz

Wat is waar over ut (r. 134) en ut (r.135)?
A
ut in r.134 gaat met een ind en vertaal je met 'zoals'. ut in r. 135 gaat met een conj. en vertaal je met 'opdat' (finalis)
B
ut in r.134 gaat met een conj. en vertaal je met 'opdat' (finalis), ut in r. 135 gaat met een ind en vertaal je met 'zoals'.
C
Zowel ut in r. 134 als r. 135 gaat met een ind. en vertaal je met 'zoals'.
D
Zowel ut in r. 134 als r. 135 gaat met een conj. en vertaal je met 'opdat' (finalis)

Slide 7 - Quiz

Wat is waar over eius (136)?
A
Het verwijst naar iustitia.
B
Het verwijst naar vulgo.
C
Het verwijst naar alios.
D
Het verwijst naar magna pars.

Slide 8 - Quiz

Wat is waar over se (136)?
A
Het verwijst naar iustitia.
B
Het verwijst naar vulgo.
C
Het verwijst naar alios.
D
Het verwijst naar magna pars.

Slide 9 - Quiz

Waar of niet waar?
Rechtvaardigheid is vooral goed voor degene die rechtvaardigheid ontvangt.
A
Waar, want rechtvaardigheid zorgt ervoor dat degene die onrecht leed zijn verlies vergoed krijgt .
B
Waar, want rechtvaardigheid komt in de eerste plaats ten goede aan het slachtoffer.
C
Niet waar, want Het is even goed (zelfs beter) voor degene die rechtvaardig handelt
D
Niet waar, want rechtvaardigheid is voor Seneca alleen waardevol als zij wederzijds is en beide partijen er evenveel voordeel van hebben.

Slide 10 - Quiz

Slide 11 - Slide

Wat is waar over
Nemo t/m profuit (r. 137-138)?
A
Niet iedereen voordeel heeft van het helpen van een ander
B
Wie een ander helpt, altijd ook zelf voordeel heeft,
C
Helpen is vooral nuttig voor degene die geholpen wordt
D
Alleen wederzijdse hulp levert voordeel op

Slide 12 - Quiz

Welke stilistische middelen herken je in de zin: Nemo non, cum alteri prodest, sibi profuit?

Slide 13 - Open question

Wat is waar over eo (r. 137)?
A
Dit is een bijwoord (dus)
B
Dit is een bijwoord (waar)
C
Dit is een persoonlijk voornaamwoord (zijn)
D
Dit is een aanwijzend voornaamwoord (deze)

Slide 14 - Quiz

Wat is waar over volet(r. 137)?
A
Het is een ind prae A
B
Het is een ind fut A
C
Het is een conj prae A
D
Het is een conj impf A

Slide 15 - Quiz

Welk stilistisch middel herken je in
adiuvare adiutus, protegere defensus (r. 137-138)

Slide 16 - Open question

Wat is waar over facientem (r. 138)?
A
Het is een gerundivum
B
Het is een bijvoeglijk gebruikt ppa
C
Het is een zelfstandig gebruikt ppa
D
Het is een predicatief gebruikt ppa

Slide 17 - Quiz

Wat is waar over:
quod bonum exemplum circuitu ad facientem revertitur (r. 138)?
A
Seneca is het hiermee eens, want slechte voorbeelden komen ook terug bij degene die ze hebben gegeven
B
Seneca is het hiermee eens, want Je krijgt immers altijd even veel dankbaarheid terug van iemand anders
C
Seneca is het hier niet mee eens (je moet nl non eo nomine dico aanvullen)
D
Seneca is het hier niet mee eens, bij het juist handelen gaat het niet om de beloning

Slide 18 - Quiz

Wat is waar over ulla miseratio (r. 139)?
A
Het staat beide in de nom ev v
B
Het staat beide in de abl ev v
C
ulla staat in de nom ev, miseratio in abl ev
D
ulla staat in de abl ev, miseratio in nom ev

Slide 19 - Quiz

Wat is het antecedent van qui (r. 139)

Slide 20 - Open question

Wat is het antecedent van quas (r. 140)?

Slide 21 - Open question

Wat is waar over faciendo (r. 140)?
A
Het is een zelfstandig gebruikt ppa in de abl
B
Het is gerundium (want het congrueert niet) in de abl
C
Het is gerundiVum (want het congrueert niet) in de abl
D
Het is gerundiVum want het is nd (van verplichting)

Slide 22 - Quiz

Wat kun je aanvullen na 'sed'?
A
eo nomine dico
B
non eo nomine dico
C
quod
D
quas

Slide 23 - Quiz

Wat is waar over
virtutum omnium pretium (r. 140-141)?
A
Het staat allemaal in de nom ev onz
B
Het staat allemaal in de gen mv
C
virtutum staat in de gen mv, omnium pretium in de nom ev onz
D
virtutum omnium staat in de gen mv, pretium in de nom ev onz

Slide 24 - Quiz

Wat is waar over ipsis (r. 141)?
A
Het verwijst naar iis (r. 139)
B
Het verwijst naar iniurias (r. 140)
C
Het verwijst naar virtutum omnium (r. 140-141)
D
Het verwijst naar pretium (r.141)

Slide 25 - Quiz

Wat is waar over
exercentur (r. 141)?
A
Het aan te vullen onderwerp zijn de mensen die een gunst geven
B
Het aan te vullen onderwerp zijn de mensen die onrecht aandoen
C
Het aan te vullen onderwerp is het onrecht
D
Het aan te vullen onderwerp zijn alle deugden

Slide 26 - Quiz

Waar of niet waar?
Deugden leiden altijd tot een beloning
A
Waar, het beoefenen van de deugd is een beloning
B
Waar, want wie goed doet, goed ontmoet
C
Niet waar, als je een deugd beoefent moet je er niets voor terug verwachten.
D
Niet waar, want dan moet de deugd wel zijn ontvangen

Slide 27 - Quiz

Vertaling van paragraaf 19
Alles moet gedaan worden, opdat we zo dankbaar mogelijk zijn. Dat is namelijk ons voordeel, evenals rechtvaardigheid niet [iets] is, zoals algemeen wordt gedacht, dat [alleen] op anderen betrekking heeft; een groot deel ervan slaat terug op zichzelf.
Niemand is niet voor zichzelf van nut geweest, wanneer hij een ander van nut is, [en dat] zeg ik niet in die zin, dat iemand zal willen helpen omdat hij geholpen is, beschermen omdat hij verdedigd is, dat een goed voorbeeld met een omweg terugkomt bij degene die het heeft gegeven, zoals slechte voorbeelden terugslaan op degenen die ze hebben gegeven, en zoals geen enkel medelijden hen treft, die 140 onrecht lijden waarvan ze door het te doen hebben laten zien dat het gedaan kon worden, maar [in die zin] dat de beloning voor alle deugden in hen zelf zit. Ze worden namelijk niet beoefend voor een beloning: juist gehandeld hebben is het loon van die daad.

Slide 28 - Slide