Examentraining: vraag-antwoord

1 / 11
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 11 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Examentraining
Vragen en antwoorden

Slide 2 - Slide

Het formuleren van je antwoord begint bij de vraag.

* Wat moet je doen?

* Wat moet het antwoord bevatten?
* Waarmee moet het antwoord beginnen= antwoordstarter.

* Schrijf je antwoord op.

* Controleer: geef ik antwoord op de vraag?



Slide 3 - Slide

De  vraag- en antwoordstructuur

Vraag:

Noem twee organen van een plant.

Vraagstructuur:

Noemen + 2 organen:

Antwoordstructuur:

* orgaan 1 =

* orgaan 2 =






Slide 4 - Slide

Stap 1: Bepaal wat je moet doen.

Dit doe je door de vraagstructuur te noteren.


Vraagstructuur =

* instructie (werk) woord (het 'doe-woord')

* het onderwerp

* eventueel: verplicht gegevensgebruik/noteringsvoorwaarde

Slide 5 - Slide

Stap 2: bepaal wat je antwoord moet bevatten.

Zet de vraagstructuur om naar een antwoordstructuur.


Antwoordstructuur=

+ Instructiewerkwoord als zelfstandig naamwoord ( uitleggen wordt "uitleg".

+ het 'onderwerp'

+ eventueel verplicht gegevensgebruik.


Slide 6 - Slide

Voorbeeld vraagstructuur


Tekst 3 wordt vooral in het begin gekenmerkt door een spottende toon. Dat blijkt uit woordgroepen als: "verdraaid goed nieuws" (regel 1), "naast een uitstekend scrabblewoord" (regels 8-9) en "een voxpopje bij met blije sportschoolsenioren"(regels 17-18).

24 Citeer uit de alinea's 2 en 3 vier andere voorbeelden van woorden of woordgroepen die qua toon in dit rijtje passen.


Stap 1: Vraagstructuur =



Slide 7 - Slide



Antwoordstructuur:


4 citaten van woorden/woordgroepen met spottende toon + in alinea 2 en 3

Slide 8 - Slide

In de alinea's 1 en 2 wordt het resultaat van een onderzoek


In de alinea's 1 en 2 wordt het resultaat van een onderzoek

genoemd en wordt besproken welke gegevens tot dit resultaat leidden.

25  Vat het resultaat en de gegevens die daartoe leidden samen.

Geef antwoord in een of meer zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 55 woorden.


Stap 1: Vraagstructuur =

Slide 9 - Slide

Stap 2: antwoordstructuur

Slide 10 - Slide

Stap 3: Maak de antwoordstarter


Antwoordstarter=

* Neem het onderwerp (herhaal de vraag)

* Neem het signaalwoord dat past bij de relatie / het verband (bijvoorbeeld reden > omdat) en plak het achter de vraag herhaling.

* Voeg het 'hulpmiddel' toe.

Vraag 28

Slide 11 - Slide