Klas 2 H3 Les 4 grammatica

Kapitel 3: Schule
Grammatik
1 / 19
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 2

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Kapitel 3: Schule
Grammatik

Slide 1 - Slide

Het bepaalde lidwoord
Nederlands: 
enkelvoud = de / het 
meervoud = de 
Duits: 
enkelvoud: der / diedas
meervoud: die

Slide 2 - Slide

Het bepaalde lidwoord
  • der -> mannelijk
  • die -> vrouwelijk
  • das -> onzijdig
  • die -> meervoud

Slide 3 - Slide

Mannelijk = der
Wanneer is een zelfstandig naamwoord mannelijk? -> DER
- mannelijke personen                         (der Bruder, der Opa)
- mannelijke dieren                                (der Stier, der Hund)
- mannelijke beroepen                         (der Lehrer, der Sänger)

Slide 4 - Slide

Vrouwelijk = die
Zelfstandig naamwoord VROUWELIJK    -->     lidwoord = DIE    (enkelvoud)

- Woorden (dingen) op -e zijn bijna altijd vrouwelijk.
      die Pause, die Toilette                                (uitzondering: der Junge)
- Vrouwelijk persoon of dier of beroep:  
      die Mutter, die Tante, die Schwester, die Lehrerin, die Kuh
- Woorden die eindigen op -in, –heit, -keit, -schaft, -ung     
      die Lehrerin, die Mannschaft, die Gesundheit, die Fröhlichkeit, die Lesung



Slide 5 - Slide

Onzijdig = das

- Woorden die in het Nederlands het lidwoord "het" hebben 
     LET OP: dit geldt NIET altijd!!
- Alle verkleinwoorden. die eindigen op -chen  
      Bv: Brötchen, Mädchen, Märchen

Slide 6 - Slide

Meervoud = die
Woorden in het meervoud zijn ALTIJD die 
     
- der Junge --> die Jungen
- die Schwester --> die Schwestern
- das Mädchen --> die Mädchen      

Slide 7 - Slide

Bepaald lidwoord

Slide 8 - Slide

Haustier
A
der
B
die
C
das

Slide 9 - Quiz

Flasche
A
der
B
die
C
das

Slide 10 - Quiz

Onkel
A
der
B
die
C
das

Slide 11 - Quiz

Restaurant
A
der
B
die
C
das

Slide 12 - Quiz

Schlange
A
der
B
die
C
das

Slide 13 - Quiz

Junge
A
der
B
die
C
das

Slide 14 - Quiz

die
die
die
die
die
die
die
das
das
das
der
der
der

Slide 15 - Drag question

Ik snap de grammatica met der, die & das.
😒🙁😐🙂😃

Slide 16 - Poll

Leg uit hoe het werkt met der, die & das.

Slide 17 - Open question

Jetzt machen
Aufgabe 18, 23, 24, 25 Seite 79

Slide 18 - Slide

EF Agenda
Huiswerk:
lr blz 96 + Gram blz 97
mk oef. 18, 23, 24, 25 blz 79


Plannen:
2x 10 minuten voor leerwerk
1x 10 minuten voor maakwerk












.



Slide 19 - Slide