Woordsoorten

Welkom!
Pak je leesboek, lesboek en pen.

Start met lezen in je leesboek.
1 / 32
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Welkom!
Pak je leesboek, lesboek en pen.

Start met lezen in je leesboek.

Slide 1 - Slide

Komende lessen: woordsoorten
Leerdoelen: je herkent in een zin het

lidwoord, zelfstandig naamwoord, voorzetsel, bijvoeglijk naamwoord, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord, vragend voornaamwoord, wederkerig en wederkerend voornaamwoord en voegwoord.
TOETS (SO) OP DONDERDAG 15 FEBRUARI HET 3e UUR (AGENDA)

Slide 2 - Slide

Wat weet je al?
1. Ga naar Classroom --> schoolwerk ---> woordsoorten
2. Vul het Google Forms in (Woordsoorten: wat weet je al?)
        https://forms.gle/No7EoeeFj1iiTpPb6
3.  Ga naar Classroom -->schoolwerk--> fictie en vul je boektitel
     in waar je de komende periode uit gaat lezen.
4. Lesboek blz. 37: bestudeer de gele theorie persoonlijk
    voornaamwoord.


Slide 3 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord

ik
jij
hij/zij/het
wij
jullie
zij
hem/haar/u/ons/mij/me/jou/je/hen
Bezittelijk vnw

mijn
jouw
zijn/haar
ons
jullie
hun

Slide 4 - Slide

Let op 'Het'
Het huis --> 'het' is lidwoord (je kunt ook zeggen 'een huis')

Het regent --> 'het' is persoonlijk vnw

Ik zag het gelukkig op tijd.   Wat is 'het' in deze zin?

Slide 5 - Slide

Aan de slag:
Maken: boek blz. 36, 37, 38 opdracht 5, 6, 7

Klaar?

Lees de theorie over 'voegwoord' op blz. 41 
Maken:
Opdracht 11 en 12 op blz. 42
DIT IS HUISWERK VOOR DE VOLGENDE LES

Slide 6 - Slide

Welkom 2mha!
1. Pak vast je boek, lesboek, laptop en etui,
2. je tas mag op de grond,
3. begin met lezen. NOTEER (ONTHOUD) BIJ WELKE BLZ. JE
    BEGINT MET LEZEN.

Geen lees- of lesboek mee? Meld het van tevoren.

Slide 7 - Slide

Boeken!
1. Ga naar Classroom en vul bij 'boektitels' in welk boek je aan
    het lezen bent de komende periode.

2. Ga naar Classroom en vul in 'logboek leesboek'.

3. Berg je laptop weer op in je tas.

Slide 8 - Slide

Is 'hij' een persoonlijk voornaamwoord?
A
Ja
B
Nee

Slide 9 - Quiz

Zij heeft aan hem verkering gevraagd.

Het persoonlijk voornaamwoord is /
de persoonlijke voornaamwoorden zijn...
A
Zij
B
Zij, aan
C
hem
D
zij hem

Slide 10 - Quiz

Zij kamt haar haar voor de spiegel.

Het persoonlijk voornaamwoord is... /
De persoonlijke voornaamwoorden zijn...
A
Zij
B
Zij, haar
C
Zij, haar, haar
D
haar

Slide 11 - Quiz

Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Ik
Zijn
Haar
Hij
Mijn
Uw
Jij

Slide 12 - Drag question

Voegwoord: maar, en, want
Verbindt twee (of meer) zinnen aan elkaar.

Ik ga naar snel naar school. Anders kom ik te laat.
-->Ik ga snel naar school WANT anders kom ik te laat.
Zit je op voetbal? Zit je op hockey?
-->Zit je op voetbal OF (zit je) op hockey?

Slide 13 - Slide

Wederkerend + wederkerig voornaamwoord
Wederkerend voornaamwoord:
Hij wast zich
Ik vergis me
Zij schaamt zich

Wederkerig voornaamwoord:
Zij herkenden elkaar.

Slide 14 - Slide

Maken:
Blz. 41-43 opdracht 13, 14, 15, 16

Slide 15 - Slide

Welkom 2mhc!
1. Pak vast je boek, lesboek, laptop en etui,
2. je tas mag op de grond,
3. leg je lesboek open op blz. 40-41
4. begin met lezen. NOTEER (ONTHOUD) BIJ WELKE BLZ. JE
    BEGINT MET LEZEN.

Geen lees- of lesboek mee? Meld het van tevoren.

Slide 16 - Slide

Vragend voornaamwoord
.....verwijst naar een persoon of ding en vraagt daar iets over.

WIE 
WAT 
WELKE 
WAT VOOR EEN

Slide 17 - Slide

Lidwoord, zelfstandig nw, bijv.nw, voorzetsel
-Lidwoord: de, het, een (staat voor een zelfstandig naamwoord)
-Zelfstandig naamwoord: tafel, huis, stoel, februari, auto, zomer,
 enzovoorts (je kunt er een lidwoord voor zetten)
-Bijvoeglijk naamwoord: mooi, duur, vies (zegt iets over het
  zelfstandig nw). Je kunt het weglaten, de zin klopt dan nog.
-Voorzetsel: in, op, naast, onder, voorbij, langs, achter ('het
  kooitje')

Slide 18 - Slide

Aan de slag:
1. ga naar Google Classroom -->logboek invullen gelezen blz.
2.Ga naar Google Classroom --> woordsoorten --->oefentoets woordsoorten 2mhc maken.

Klaar?
Maken blz. 111 opdracht 8 en 10.
Maken blz. 81 opdracht 8 en 9

Slide 19 - Slide

Welkom 2mhc!
1. Pak vast je boek, en laptop,
2. je tas mag op de grond,
3. begin met lezen. NOTEER (ONTHOUD) BIJ WELKE BLZ. JE
    BEGINT MET LEZEN.

Geen lees- of lesboek mee? Meld het van tevoren. Je krijgt een schrijfopdracht voor in de les en voor thuis. Donderdag inleveren.

Slide 20 - Slide

Vandaag: herhalen, donderdag toets
lidwoord, zelfstandig naamwoord, voorzetsel, bijvoeglijk naamwoord, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord, vragend voornaamwoord, wederkerig en wederkerend voornaamwoord en voegwoord.

Slide 21 - Slide

Aan de slag:
Ga naar Classroom-->schoolwerk-->fictie:
1. Vul je logboek in: welke blz. gestart en waar gestopt met lezen
2. Vul het andere document in waar je je boektitel kunt invullen.

Ga naar Classroom-->schoolwerk-->woordsoorten:
3. Bestudeer en maak de lesdia's van LessonUp
4. Maak de opdracht op Classroom: verhaal schrijven

Slide 22 - Slide

De drie lidwoorden zijn

Slide 23 - Open question

Welk woord is geen zelfst.nw?
A
moeder
B
rode
C
Maud
D
computer

Slide 24 - Quiz

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?
A
de
B
jullie
C
ons
D
nieuwe

Slide 25 - Quiz

Tekst
Zelfstandig naamwoord
Bijv. naamwoord
huisarts
wit
fiets
groot
duur
jong
nieuw
oma 
interessant
klaslokaal

Slide 26 - Drag question

Persoonlijk voornaamwoord
Geen persoonlijk voornaamwoord
Het boek is van mij
Mijn speelgoed
Hun tassen
Ik schrijf hun een brief
Jouw zus
De hond is van jou

Slide 27 - Drag question

Mijn fiets is gestolen.

Mijn=
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
voorzetsel
D
bijvoeglijk naamwoord

Slide 28 - Quiz

Het woord:
JOUW (jouw boek)
is een
A
persoonlijk voornaamwoord
B
vragend voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord
D
bezittelijk voornaamwoord

Slide 29 - Quiz

Opdracht 
Beschrijf hoe jouw kamer eruit ziet en wat voor spullen erin liggen (zie Classroom).
Maak hierbij gebruik van alle woordsoorten die je moet leren voor de toets en benoem de woordsoorten.

Slide 30 - Slide

Toetsstof
lidwoord, zelfstandig naamwoord, voorzetsel, bijvoeglijk naamwoord, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord, vragend voornaamwoord, wederkerig en wederkerend voornaamwoord en voegwoord.

Slide 31 - Slide

Enkelvoudige en samengestelde zinnen
.

Slide 32 - Slide