De structuur van de zin_ normale structuur - inversie - vraagzinnen.pptx

De structuur van de zin

p. 25

1 / 48
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsHoger onderwijsStudiejaar 6

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

De structuur van de zin

p. 25

  1. Normale structuur

  1. Normale structuur

  1. Normale structuur

Ik sta om half zeven op.

  1. Normale structuur

  1. Normale structuur

Ik neem een douche om zeven uur.

Schrijf een zin. Gebruik de normale structuur.

  1. Normale structuur

Ik ontbijt om kwart over zeven.

  1. Normale structuur

  1. Normale structuur

Ik werk van negen uur tot vijf uur.

Invuloefening

Ik kook om 18 u.

Ik kijk televisie om 20.30 u.

Ik slaap om 22 u.

Ik kook
Ik kijk televisie
Ik slaap
Ik word wakker
Ik ontbijt

2. Inversie

Wat doe jij 's morgens?

A

's Morgens sta op om half zeven.

B

Sta ik om half zeven op 's morgens.

C

's Morgens sta ik om half zeven op.

D

Ik sta 's morgens om half zeven op.

2. Inversie

Om half zeven sta ik op.

Wat doe je daarna?

A

Ik neem een douche om zeven uur.

B

Om zeven uur neem ik een douche.

C

Een douche neem ik om zeven uur.

D

Ik een douche neem om zeven uur.

2. Inversie

Om zeven uur neem ik een douche.

2. Inversie

2. Inversie

Om kwart over zeven ontbijt ik.

Invuloefening: gebruik inversie!

Van negen tot vijf uur werk ik.

Om zes uur kook ik.

Om 20.30 u. kijk ik televisie.

Om 22 u. slaap ik.

werk
ik
Om zes uur
kook
kijk
ik
televisie
Om 22 u.
slaap
ik

2. Inversie

Van negen uur tot vijf uur werk ik.

2. Inversie

Om 6 uur kook ik.

2. Inversie

Om half negen kijk ik tv.

2. Inversie

Om tien uur slaap ik.

2. Inversie

Neem een blanco

pagina ...

Om 8 uur sta ik op.

Om 9 uur …

… en schrijf op wat jij

op een dag doet.

5

minute

00

second

2. Inversie

INVERSIE - Herschrijf de zin: begin met het vetgedrukte deel.

1. Annelies is donderdag jarig. ____________________________________________________________

2. Ik weet dat niet. ____________________________________________________________

3. We gaan na de pauze verder met de les. ____________________________________________________________

Donderdag is Annelies jarig.

p. 17

Dat weet ik niet.

Na de pauze gaan we verder met de les.

2. Inversie

4. Haar ouders wonen in de winter in Malaga. ____________________________________________________________

5. Marcelle is momenteel in Argentinië.

____________________________________________________________

6. We drinken samen koffie in de kantine.

____________________________________________________________

In de winter wonen haar ouders in Malaga.

p. 17

Momenteel is Marcelle in Argentinië.

In de kantine drinken we samen koffie.

7. Ik heb in de Bruggestraat een huis te huur gezien.

____________________________________________________________

In de Bruggestraat heb ik een huis te huur gezien.

2. Inversie

8. We zijn gisteren heel sportief geweest. ____________________________________________________________

9. Je moet op het einde van de straat links afslaan. ____________________________________________________________

10. Er is in België leerplicht tot 18 jaar. ____________________________________________________________

Gisteren zijn we heel sportief geweest.

p. 17

Op het einde van de straat moet je links afslaan.

In België is er leerplicht tot 18 jaar.

Welke vraagwoorden ken jij nog?

WIE - WAT - ...

3. Vraagzin met vraagwoord

3. Vraagzin met vraagwoord

3. Vraagzin met vraagwoord

Wanneer sta jij op?

3. Vraagzin met vraagwoord

Neem een blanco

pagina ...

Wie …?

Wat …?

Waar …?

Wanneer …?

Waarom …?

Hoe …?

… en schrijf goede vragen met deze vraagwoorden.

4. Ja-neenvraag

4. Ja-neenvraag

4. Ja-neenvraag

Sta jij elke dag om half zeven op?

4. Ja-neenvraag

4. Ja-neenvraag

Neem jij elke dag om 7 uur een douche?

4. Ja-neenvraag

4. Ja-neenvraag

Ontbijt jij elke dag om kwart over zeven?

Voeg hier je vraag toe

4. Ja-neenvraag

Werk jij elke dag van 9 uur tot 5 uur?

Voeg hier je vraag toe

4. Ja-neenvraag

Kook jij elke dag om 6 uur?

Voeg hier je vraag toe

4. Ja-neenvraag

Slaap jij elke dag om 10 uur?

4. Vraagzinnen

p. 17

VRAAGZINNEN

1. een kilo / kost / hoeveel / tomaten / ?

____________________________________________________________

2. je / mee / ga / zaterdagavond / naar de film / ?

____________________________________________________________

3. op dinsdag / bij de VDAB / maken / een afspraak / kan / ik / ?

____________________________________________________________

Hoeveel kost een kilo tomaten?

Ga je zaterdagavond mee naar de film?

Kan ik op dinsdag een afspraak bij de VDAB maken?

4. Vraagzinnen

p. 17

4. gekocht / die hippe laarzen / heb / waar / jij / ?

____________________________________________________________

5. jij / waarom / gekocht / zoveel medicijnen / bij de apotheker / heb / ?

____________________________________________________________

6. naar Argentinië / met welke / vlieg / jij / vliegtuigmaatschappij / ?

____________________________________________________________

7. studeren / voor het theoretisch rijexamen / wat / moet / ik / ?

____________________________________________________________

Waar heb jij die hippe laarzen gekocht?

Waarom heb jij bij de apotheker zoveel medicijnen gekocht?

Met welke vliegtuigmaatschappij vlieg jij naar Argentinië?

Wat moet ik voor het theoretisch rijexamen studeren?

4. Vraagzinnen

p. 17

8. helpen / alstublieft / wie /wil / me / ?

____________________________________________________________

9. de politie / je verzekeringsbewijs / gecontroleerd / heeft / ?

____________________________________________________________

10. naar Brussel / hoe / jij / ga/ dit weekend / ?

____________________________________________________________

Wie wil me helpen alstublieft?

Heeft de politie je verzekeringsbewijs gecontroleerd?

Hoe ga jij dit weekend naar Brussel?