De structuur van de zin
p. 25
De structuur van de zin
p. 25
Normale structuur
Normale structuur
Normale structuur
Ik sta om half zeven op.
Normale structuur
Normale structuur
Ik neem een douche om zeven uur.
Schrijf een zin. Gebruik de normale structuur.
Normale structuur
Ik ontbijt om kwart over zeven.
Normale structuur
Normale structuur
Ik werk van negen uur tot vijf uur.
Invuloefening
Ik kook om 18 u.
Ik kijk televisie om 20.30 u.
Ik slaap om 22 u.
2. Inversie
Wat doe jij 's morgens?
's Morgens sta op om half zeven.
Sta ik om half zeven op 's morgens.
's Morgens sta ik om half zeven op.
Ik sta 's morgens om half zeven op.
2. Inversie
Om half zeven sta ik op.
Wat doe je daarna?
Ik neem een douche om zeven uur.
Om zeven uur neem ik een douche.
Een douche neem ik om zeven uur.
Ik een douche neem om zeven uur.
2. Inversie
Om zeven uur neem ik een douche.
2. Inversie
2. Inversie
Om kwart over zeven ontbijt ik.
Invuloefening: gebruik inversie!
Van negen tot vijf uur werk ik.
Om zes uur kook ik.
Om 20.30 u. kijk ik televisie.
Om 22 u. slaap ik.
2. Inversie
Van negen uur tot vijf uur werk ik.
2. Inversie
Om 6 uur kook ik.
2. Inversie
Om half negen kijk ik tv.
2. Inversie
Om tien uur slaap ik.
2. Inversie
Neem een blanco
pagina ...
Om 8 uur sta ik op.
Om 9 uur …
… en schrijf op wat jij
op een dag doet.
minute
second
2. Inversie
INVERSIE - Herschrijf de zin: begin met het vetgedrukte deel.
1. Annelies is donderdag jarig. ____________________________________________________________
2. Ik weet dat niet. ____________________________________________________________
3. We gaan na de pauze verder met de les. ____________________________________________________________
Donderdag is Annelies jarig.
p. 17
Dat weet ik niet.
Na de pauze gaan we verder met de les.
2. Inversie
4. Haar ouders wonen in de winter in Malaga. ____________________________________________________________
5. Marcelle is momenteel in Argentinië.
____________________________________________________________
6. We drinken samen koffie in de kantine.
____________________________________________________________
In de winter wonen haar ouders in Malaga.
p. 17
Momenteel is Marcelle in Argentinië.
In de kantine drinken we samen koffie.
7. Ik heb in de Bruggestraat een huis te huur gezien.
____________________________________________________________
In de Bruggestraat heb ik een huis te huur gezien.
2. Inversie
8. We zijn gisteren heel sportief geweest. ____________________________________________________________
9. Je moet op het einde van de straat links afslaan. ____________________________________________________________
10. Er is in België leerplicht tot 18 jaar. ____________________________________________________________
Gisteren zijn we heel sportief geweest.
p. 17
Op het einde van de straat moet je links afslaan.
In België is er leerplicht tot 18 jaar.
Welke vraagwoorden ken jij nog?
WIE - WAT - ...
3. Vraagzin met vraagwoord
3. Vraagzin met vraagwoord
3. Vraagzin met vraagwoord
Wanneer sta jij op?
3. Vraagzin met vraagwoord
Neem een blanco
pagina ...
Wie …?
Wat …?
Waar …?
Wanneer …?
Waarom …?
Hoe …?
… en schrijf goede vragen met deze vraagwoorden.
4. Ja-neenvraag
4. Ja-neenvraag
4. Ja-neenvraag
Sta jij elke dag om half zeven op?
4. Ja-neenvraag
4. Ja-neenvraag
Neem jij elke dag om 7 uur een douche?
4. Ja-neenvraag
4. Ja-neenvraag
Ontbijt jij elke dag om kwart over zeven?
Voeg hier je vraag toe
4. Ja-neenvraag
Werk jij elke dag van 9 uur tot 5 uur?
Voeg hier je vraag toe
4. Ja-neenvraag
Kook jij elke dag om 6 uur?
Voeg hier je vraag toe
4. Ja-neenvraag
Slaap jij elke dag om 10 uur?
4. Vraagzinnen
p. 17
VRAAGZINNEN
1. een kilo / kost / hoeveel / tomaten / ?
____________________________________________________________
2. je / mee / ga / zaterdagavond / naar de film / ?
____________________________________________________________
3. op dinsdag / bij de VDAB / maken / een afspraak / kan / ik / ?
____________________________________________________________
Hoeveel kost een kilo tomaten?
Ga je zaterdagavond mee naar de film?
Kan ik op dinsdag een afspraak bij de VDAB maken?
4. Vraagzinnen
p. 17
4. gekocht / die hippe laarzen / heb / waar / jij / ?
____________________________________________________________
5. jij / waarom / gekocht / zoveel medicijnen / bij de apotheker / heb / ?
____________________________________________________________
6. naar Argentinië / met welke / vlieg / jij / vliegtuigmaatschappij / ?
____________________________________________________________
7. studeren / voor het theoretisch rijexamen / wat / moet / ik / ?
____________________________________________________________
Waar heb jij die hippe laarzen gekocht?
Waarom heb jij bij de apotheker zoveel medicijnen gekocht?
Met welke vliegtuigmaatschappij vlieg jij naar Argentinië?
Wat moet ik voor het theoretisch rijexamen studeren?
4. Vraagzinnen
p. 17
8. helpen / alstublieft / wie /wil / me / ?
____________________________________________________________
9. de politie / je verzekeringsbewijs / gecontroleerd / heeft / ?
____________________________________________________________
10. naar Brussel / hoe / jij / ga/ dit weekend / ?
____________________________________________________________
Wie wil me helpen alstublieft?
Heeft de politie je verzekeringsbewijs gecontroleerd?
Hoe ga jij dit weekend naar Brussel?