Je gebruikt "geen" als je zegt dat je iets niet hebt of iets niet is.
Het hoort bij dingen (zelfstandig naamwoorden).
π Voorbeelden:
Ik heb geen auto. (0 auto's)
Hij drinkt geen koffie. (0 koffie)
Wij hebben geen kinderen. (0 kinderen)
π‘ Let op: Je gebruikt "geen" als er anders "een" zou staan:
Ik heb een hond. β Ik heb geen hond.