H1 samenvatting elektriciteit 2022-2023

Herhaling H1 Elektriciteit
Elektrische stroom
Elektriciteit in huis
Vermogen en energie
Elektriciteit en veiligheid

Volgende week Oefentoets en PTA
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 3

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Herhaling H1 Elektriciteit
Elektrische stroom
Elektriciteit in huis
Vermogen en energie
Elektriciteit en veiligheid

Volgende week Oefentoets en PTA

Slide 1 - Slide

symbolen voor schakelschema's
Binas 14

Slide 2 - Slide

Regels voor het tekenen van stroomkringen
  1. Gebruik altijd de juiste symbolen
  2. De draden worden alleen horizontaal                                                                           of verticaal getekend.
  3. Altijd hoeken van 90 graden tekenen.
  4. Het schema moet zo overzichtelijk                                                                                  mogelijk zijn.
  5. De afstand tussen de apparaten in de                                                                         tekening zegt niets over de werkelijke afstand.

Slide 3 - Slide

Serie schakeling:                                                                       Parallel schakeling:
1 Lange stroomkring.                                                       Verschillende stroomkringen                                                                                                    die aan elkaar geschakeld zijn

Slide 4 - Slide

Elektrische stroom






Stroom         I     in Ampère    (A)
Spanning    U    in Volt            (V)
Vermogen  P   in Watt            (P)
            

P = U x I

Slide 5 - Slide


De meterkast
  • Hoofdkabel
  • kWh-meter
  • Groepsschakelaar
  • Aardlekschakelaar


  • Kortsluiting
  • Overbelasting
Zekeringen
De zekering schakelt de stroom uit wanneer deze te hoog wordt door overbelasting of kortsluiting.
kWh-meter
De energiemeter of kWh-meter meet het energieverbruik.
Groep
Een aantal stopcontacten en lichtpunten zit samen op één groep. Vanuit de meterkast loopt een aparte leiding voor elke groep.
Aardlekschakelaar
De aardlekschakelaar schakelt de stroom uit bij lekstroom.
Hoofdkabel

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Kortsluiting

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Wisselspanning en gelijkspanning
  • Gelijkspanning (DC): Een batterij heeft een                                                                     + en - symbool en levert gelijkspanning

  • Wisselspanning (AC): Spanning wisselt                                                                          50 x per seconde van (+) en (-).

  • Apparaten voor wisselspanning en gelijkspanning kan je niet zomaar door elkaar gebruiken.

Slide 10 - Slide

Vermogen
Hoeveel elektrische energie een apparaat per seconde verbruikt


Slide 11 - Slide

Energieverbruik



E = energieverbruik in kilowattuur (kWh)
P = vermogen in kilowatt (kW)
t = tijd in uur (h)


E = P x t

Slide 12 - Slide

Gevaren elektriciteit
1) Brand bij kortsluiting óf overbelasting.

2) Schok.





Slide 13 - Slide

Zekeringen
  • Groepszekering: deze springt boven 
de 16 A om brand door oververhitting 
te voorkomen.

  • Installatieautomaat: een elektronische zekering.

  • Smeltveiligheid: ouderwetse zekering met                                                                  dun draad => vervangen

Slide 14 - Slide

Aardlekschakelaar
  • Deze vergelijkt de stroom tussen de fase- en nul-draad. 
  • Is deze groter dan   30 mA, dan springt de aardlekschakelaar.

Slide 15 - Slide

Randaarde
Een geel/groene draad die via de metalen buitenkant van een apparaat via het snoer naar de rand van het stopcontact gaat.

De randaarde voorkomt stromen door je lichaam.
 

Slide 16 - Slide

Samenvatting formule's
Vermogen                 P = U x I   (vermogen in Watt)

Energieverbruik      E = P x t   (vermogen in kiloWatt)

Energiekosten:     Kosten = energieverbruik (kWh) x prijs 


Gevraagd, gegevens, formule, uitwerking en antwoord


Slide 17 - Slide

Planning
Vragen kun je altijd via teams stellen en klassikaal
Volgende week Oefentoets
PTA

Slide 18 - Slide

In de afbeelding hiernaast zien we drie lampjes. Door elk lampje loopt 0,075 A. Bereken hoe groot de totale stroomsterkte is voor deze schakeling.

Slide 19 - Open question

Kees schakelt drie fietslampjes in parallel.
Door elk lampje gaat een stroom van 0,165 A.
Kees schrijft op: “De totale stroom in de schakeling is 0,495 A”.
Leg uit of Kees gelijk heeft.


Slide 20 - Open question


Voor fornuizen wordt ook wel “krachtstroom” gebruikt. Krachtstroom werkt met een spanning van 400 V in plaats van 230 V. Bereken het vermogen van zo’n fornuis als een stroom van 15,3 A er doorheen gaat.



Slide 21 - Open question



Welke kleur heeft een nuldraad?
A
Bruin
B
Blauw
C
Groen/geel
D
Zwart

Slide 22 - Quiz


In de schakeling hiernaast is op twee plaatsen de stroomsterkte gemeten. De meetresultaten staan bij de schakeling vermeld. Hoe groot is de stroomsterkte in punt A?
A
0,4 A
B
0,6 A
C
1,0 A
D
1,6 A

Slide 23 - Quiz

Het totale vermogen op een groep van een huisinstallatie (230 V) is 3650 W.
De groep is beveiligd door een zekering van 16 A.
Laat met een berekening zien of de zekering zich uitschakelt.

Slide 24 - Open question

Bij Rick in huis wordt elektrisch gekookt.
Op een avond kookt hij soep voor 15 min op de kookplaat met een vermogen van 700 W.
Bereken hoeveel elektrische energie de kookplaat in deze 15 minuten heeft gebruikt.

Slide 25 - Open question


In een wasmachine is de isolatie rond een elektriciteitsdraad kapotgegaan. Er loopt nu een klein lekstroompje (ongeveer 65 mA) naar de aarde.
Door welke draad loopt dit stroompje?
A
door de nuldraad
B
door de fasedraad
C
door de aarddraad
D
door de schakeldraad

Slide 26 - Quiz


Welke bewering is juist?
In de aardlekschakelaar wordt de stroom . . . . .
A
in de fasedraad vergeleken met de stroom in de nuldraad.
B
in de fasedraad vergeleken met de stroom in de schakeldraad.
C
in de nuldraad vergeleken met de stroom in de schakeldraad.
D
in de nuldraad vergeleken met de stroom in de zekering.

Slide 27 - Quiz

Chris en Melanie zeggen allebei iets over zekeringen
Chris zegt: “Een zekering voorkomt brand”.
Melanie zegt: “Een zekering voorkomt kortsluiting”.
Leg uit wie er gelijk heeft!
A
Chris heeft gelijk
B
Melanie heeft gelijk
C
Ze hebben allebei gelijk
D
Ze hebben allebei niet gelijk

Slide 28 - Quiz

Heb je nog vragen of opmerkingen over Hoofdstuk 1?
Of wil je nog graag extra uitleg over.....?

Slide 29 - Open question

Planning
Vragen kun je altijd via teams stellen en klassikaal
Volgende week Oefentoets
PTA

Slide 30 - Slide