Laten we samen regels maken over bijvoeglijke naamwoorden. Jullie hebben net voorbeelden gezien in de tekst en opdrachten. Nu gaan we generaliseren. Ik lees de zin en jullie vullen hem in.
1. An adjective is…
→ Vraag: Wat is een adjective? (Antwoord: a word that describes a noun, bv. mooi, groot, lekker).
✍ Slide invullen: a word that describes a noun.
2. Sometimes, the adjective is in front of the …
→ Vraag: Waar staat het vaak? Voor of na het zelfstandig naamwoord?
(Antwoord: voor → de lekkere appel).
✍ Slide invullen: noun.
Example:
Vraag studenten een voorbeeld → schrijf: de mooie tomaat.
3. Sometimes, the adjective is at the end of a sentence.
→ Vraag: Waar kan het ook staan? (Antwoord: achteraan → De tomaat is lekker).
✍ Voorbeeld invullen: Het brood is groot.
4. When the article is de or het, we always add the letter …
→ Vraag: Welke letter voegen we toe? (Antwoord: -e).
✍ Voorbeeld: de rode appel, het kleine brood.
5. When we replace the article of a het-word with een, we do NOT add …
→ Vraag: Wat gebeurt er met de -e bij een het-woord zonder lidwoord?
(Antwoord: geen -e).
✍ Voorbeeld: een klein brood.
Resultaat op slide (ingevuld)
An adjective is a word that describes a noun.
Sometimes, the adjective is in front of the noun.
Example: de lekkere appel.
Sometimes, the adjective is at the end of a sentence.
Example: Het brood is groot.
When the article is de or het we always need to add the letter “e” next to the adjective.
Example: de rode appel, het kleine brood.
When we replace the article of a het-word with een, we do NOT add “e” next to the adjective.
Example: een klein brood.