Het bijvoeglijk naamwoord
Wat is het? · Hoe verbuig je het? · Trappen van vergelijking
Deel 1 Wie is wie? · Les 4
Het bijvoeglijk naamwoord
Wat is het? · Hoe verbuig je het? · Trappen van vergelijking
Deel 1 Wie is wie? · Les 4
Met welke affiche vind jij Minou terug?
A
VERLOREN!
Een kat.
Ze heet Minou.
B
VERLOREN!
Een kleine, rosse kat met een witte staart en groene ogen. Ze is erg schuw. Ze heet Minou.
2
Wat maakt affiche B zo goed?
Een kleine, rosse kat met een witte staart en groene ogen. Ze is erg schuw.
geel = zelfstandig naamwoord (zn): een mens, dier, plant of ding
groen = bijvoeglijk naamwoord (bn): zegt iets meer over het zn
Zonder de groene woorden weet je niet wélke kat je zoekt.
3
Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
Een bijvoeglijk naamwoord (bn) zegt iets meer over het zelfstandig naamwoord waarbij het hoort.
Het maakt een beschrijving duidelijker en levendiger.
de enthousiaste jongen
een rosse kat
het oude huis
Tip: vraag je af: hoe is het? Hoe ziet het eruit?
4
Zoek de bijvoeglijke naamwoorden
De stoere voetballer scoorde een prachtig doelpunt.
Zoek de bijvoeglijke naamwoorden
Mijn kleine zus draagt een rode jas.
Zoek de bijvoeglijke naamwoorden
Die film was heel spannend.
Bijvoeglijk naamwoord of niet?
wel een bn
geen bn
verlegen
lief
hond
tafel
eerlijk
snel
zingen
lopen
groen
schoen
Maak de zin levendiger
Voeg in de zin minstens twee bijvoeglijke naamwoorden toe.
Op tafel stond een taart.
Waar staat het bijvoeglijk naamwoord?
1
Vlak vóór het zelfstandig naamwoord
Er hing een vrolijke sfeer.
→ vaak mét -e
2
Los, na een koppelwerkwoord
Haar outfit was prachtig.
→ geen -e
koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, lijken, schijnen, blijken
8
De regel: wanneer schrijf je een -e?
Een bijvoeglijk naamwoord krijgt altijd een -e.
BEHALVE als …
het zn een het-woord in het enkelvoud is
én er een, geen of niets voor staat
een groot huis · geen groot huis · groot nieuws
In alle andere gevallen: -e
het grote huis
de grote tuin
een grote tuin
grote huizen (meervoud: altijd -e)
10
Stappenplan: -e of niet?
1
Staat het bn vóór het zn?
nee → geen -e
ja → ga verder
2
Is het zn een het-woord in het enkelvoud?
nee → -e
ja → ga verder
3
Staat er een, geen of niets voor?
ja → geen -e
nee → -e
Twijfel je: de of het? Zoek het woord op in woordenlijst.org.
11
Ik krijg een ( nieuw / nieuwe ) fiets.
nieuw
nieuwe
We wonen in een ( oud / oude ) huis.
oud
oude
Het ( klein / kleine ) kind lacht.
klein
kleine
Dat is geen ( slim / slimme ) idee.
slim
slimme
Ik drink graag ( warm / warme ) chocolademelk.
warm
warme
Let op je spelling als je een -e toevoegt
Lange klank
één klinker minder
groot → grote
rood → rode
raar → rare
Korte klank
medeklinker verdubbelt
dik → dikke
wit → witte
dom → domme
f wordt v, s wordt z
als je v of z hoort
lief → lieve
boos → boze
grijs → grijze
Zeg het woord luidop. Hoor je een s? Dan blijft het een s: fris → frisse.
13
Wij wonen in een grote huis.
juist
fout
De wite muur is net geverfd.
juist
fout
Het lieve meisje helpt haar broer.
juist
fout
Daar speelt een kleine kind.
juist
fout
Een boze leerkracht stuurt hem naar de gang.
juist
fout
Ik draag mijn groote sjaal.
juist
fout
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden
Ze vertellen van welk materiaal iets gemaakt is.
Ze krijgen -en: een houten tafel.
Geen extra -e: het houten huis.
hout
houten
glas
glazen
steen
stenen
ijzer
ijzeren
katoen
katoenen
goud
gouden
16
Waarvan is het gemaakt?
a papier → een … zakje
b zilver → een … armband
c wol → een … trui
d goud → het … horloge
e glas → de … deur
17
papier → een … zakje
zilver → een … armband
wol → een … trui
glas → de … deur
Trappen van vergelijking
Tom
Jerry
Bob
lang
stellende trap
langer + er
vergrotende trap
het langst + st
overtreffende trap
Tom is lang. Jerry is langer. Bob is het langst.
18
Let op bij de trappen
Eindigt op -r?
+ der
ver – verder – verst
duur – duurder – duurst
Spelling
zoals bij de -e
groot – groter – grootst
dik – dikker – dikst
Onregelmatig
uit je hoofd leren
goed – beter – best
veel – meer – meest
weinig – minder – minst
Ook trappen krijgen een -e vóór een zn: de langste jongen, een grotere fiets.
19
Welke trap past in de zin?
a Mijn broer is … dan ik. (oud)
b Dit is de … film van het jaar. (spannend)
c Mijn rugzak is … dan de jouwe. (zwaar)
d Wie loopt het … van de klas? (snel)
e Dit ijsje is nog … dan dat van gisteren. (lekker)
f Jouw tekening is … dan de mijne. (goed)
21
Welke vorm past in de zin: Mijn broer is … dan ik. (oud)
ouder
oudst
oud
ouderst
Welke vorm past in de zin: Dit is de … film van het jaar. (spannend)
spannend
spannender
spannendste
meest spannend
Welke vorm past in de zin: Jouw tekening is … dan de mijne. (goed)
goeder
best
goed
beter
Aan de slag in je boek
Les 4 · p. 58-62