Talen (en) vieren | Les 1

Talen (en) vieren
Deze LessonUp is gemaakt door: Natasja Dijkstra
Hoş geldin
خوش اومدین
Welcome
Bon bini
Wolkom
Welkom
أهلاً وسهلاً
Bienvenue
Bienvenido
Fawaka
Bi xêr hatî
መርሓባ
يَاْ هلا
Soo dhowow
Manko
1 / 15
next
Slide 1: Slide
NT2Nederlands+1MBOISKStudiejaar 1-4

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Talen (en) vieren
Deze LessonUp is gemaakt door: Natasja Dijkstra
Hoş geldin
خوش اومدین
Welcome
Bon bini
Wolkom
Welkom
أهلاً وسهلاً
Bienvenue
Bienvenido
Fawaka
Bi xêr hatî
መርሓባ
يَاْ هلا
Soo dhowow
Manko

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

In deze les ga je ontdekken welke talen je allemaal kent en gebruikt en welke talen er eigenlijk allemaal in de klas worden gesproken. Dat doe je door een talenpaspoort te maken.

Je gaat ook alvast nadenken over het thema voor de volgende lessen: vasten en vieren. 


In deze les:
Vinden wat nog niet bekend was [iemand ontdekt iets]

Voorbeelden
Ze heeft een kortere weg naar haar werk ontdekt.
Een nieuwe ster ontdekken in het heelal.
Door wie is Messi ontdekt?
Het onderwerp [waar het over gaat] van bijvoorbeeld een boek, een film, les. 

Voorbeelden
Het thema van het boek is de liefde.
Het thema van de les is Opleidingen.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

0

Slide 3 - Video

This item has no instructions


Kies één woord of een plaatje dat jouw gevoel uitlegt bij dit filmpje.
Bijvoorbeeld: Grappig.

Slide 4 - Open question

This item has no instructions

Je hebt net een filmpje gekeken over meertaligheid. Denk eerst zelf na over de vragen (2 minuten). Bespreek daarna de antwoorden in jouw thuistaal met een klasgenoot (2 minuten).

  1. Wat vind jij van dit filmpje?
  2. Herken jij jezelf in het filmpje? Wat vind je herkenbaar?
  3. Wat zou "Taal is de sleutel tot de wereld" kunnen betekenen?


Klassengesprek
Iets wat herkenbaar is, is makkelijk te herkennen of heel bekend, omdat je het zelf ook hebt meegemaakt.

Voorbeelden
Ze vertelde een heel herkenbaar verhaal over haar kinderen.
Ik herken mezelf in hem. Ik ben ook net verhuisd.
timer
2:00
Praten over iets [iets bespreken, iemand bespreekt iets]

Voorbeelden
Vandaag worden de plannen van de overheid besproken.
We bespreken de antwoorden na de toets.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Woorden vertalen
Je mag je thuistaal gebruiken om woorden te vertalen.
Betekenis bespreken
Je mag je thuistaal gebruiken om de betekenis van woorden, zinnen of een tekst te bespreken.
We maken duidelijke afspraken over het gebruiken van jouw thuistaal tijdens de lessen.
Nadenken
Je mag eerst in jouw thuistaal nadenken, spreken en schrijven, voordat je dit in het Nederlands doet.
Elkaar helpen
Je mag jouw thuistaal gebruiken om elkaar te helpen met de lesstof. 
Privégesprekken
Je gebruikt jouw thuistaal alleen voor de les, niet om over andere dingen te praten.
Altijd terug naar Nederlands
Jouw thuistaal gebruik je als hulpmiddel. Daarna ga je weer terug naar het Nederlands. 

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Opdracht: Talenpaspoort

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Je gaat een talenpaspoort maken. Een talenpaspoort is een soort kaart met alle verschillende talen die jij gebruikt. Bijvoorbeeld op je werk, op school of thuis. 

  1. Kleur de vlag in van jouw land. Je mag ook een extra vlag tekenen.
  2. Vul de lege vakken in. Gebruik het voorbeeld.
  3. Maak jouw poppetje af. Teken bijvoorbeeld het gezicht, de kleding en/of het haar. 


Talenpaspoort

Slide 8 - Slide

  • Bespreek de opdracht aan de hand van het voorbeeld of jouw eigen talenpaspoort op slide 9. Model hoe je het talenpaspoort invult;
  • Laat studenten vragen stellen over de opdracht;
  • Deel werkblad 1 uit. Laat studenten in het kader van gendersensitiviteit kiezen tussen de twee bijgevoegde werkbladen;
  • Studenten vullen zelfstandig hun talenpaspoort in.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Praat samen over jullie talenpaspoorten. Je interviewt elkaar. Dit mag in je thuistaal. Je schrijft drie dingen op die je hebt geleerd over jouw klasgenoot. Vertel daarna kort wat je hebt ontdekt

Gebruik deze vragen om elkaar te interviewen:
  1. Welke talen spreek jij thuis?
  2. Welke taal gebruik jij het meest met vrienden?
  3. In welke taal lees jij het makkelijkst?
  4. In welke taal schrijf jij het makkelijkst?
  5. Welk woord vind jij mooi in jouw thuistaal?




Bespreken in tweetallen
Een gesprek waarbij een persoon vragen stelt en de andere persoon antwoord geeft.

Voorbeelden
Gisteravond was er een interview met de koning op de televisie.
timer
5:00

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Je hebt ontdekt welke talen jij gebruikt. In de volgende lessen ga je verder ontdekken hoe jouw talen jou kunnen helpen om een tekst beter te begrijpen. We gaan een tekst lezen met het thema Vasten en Vieren
Vasten en Vieren

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Vasten en Vieren
Kijk naar de afbeeldingen. Welke feesten of tradities herken jij? Schrijf de woorden en zinnen waar je aan denkt op in jouw thuistaal.
Divali
1
Eid al-Fitr
2
Jom Kipoer
3
Ramadan
4
Pasen
5
Een plaatje of tekening

Voorbeelden
Op de Nederlandse euro staat een afbeelding van de koning.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Schrijf op wat je al weet over het thema. Dit mag in jouw thuistaal. Als je al Nederlandse woorden kent die erbij horen, mag je die ook opschrijven.
Bijvoorbeeld: Tijdens oud en nieuw eten we oliebollen.

Slide 13 - Mind map

This item has no instructions


Hoe vond je deze les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 14 - Poll

This item has no instructions


Schrijf op:
- Noem 3 dingen die je vandaag hebt geleerd
- Noem 2 dingen die je interessant vond
- Schrijf 1 vraag die je nog hebt

Slide 15 - Open question

This item has no instructions