Zeggen dat iets in het verleden is gebeurd

Bonjour & bienvenue
1 / 29
next
Slide 1: Slide
FransBasisschoolGroep 8

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Bonjour & bienvenue

Slide 1 - Slide

LESDOEL
Zeggen dat iets in het verleden is gebeurd
Quiz

Slide 2 - Slide

0

Slide 3 - Video

Verleden tijd

Slide 4 - Slide

timer
1:30
avoir
être
ont
es
avons
ai
sommes
avez
suis
a
as
sont
êtes
est

Slide 5 - Drag question

Verleden tijd - vorm
De verleden tijd bestaat, net als de Nederlandse voltooide tijd uit twee delen

  • het bestaat uit een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord

Slide 6 - Slide

Verleden tijd - hulpwkw. 
  • Wanneer je in het Nederlands het hulpwerkwoord zijn gebruikt (ik ben gegaan), gebruik je in het Frans het hulpwerkwoord être.  
  • Wanneer je in het Nederlands het hulpwerkwoord hebben gebruikt (ik heb gekeken), gebruik je in het Frans het hulpwerkwoord avoir.  

Slide 7 - Slide

Verleden tijd - hulpww.
Voor de verleden tijd gebruik je deze hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd . 


Slide 8 - Slide

avoir = hebben
j'ai
tu as 
il, elle, on a
nous avons
vous avez
ils, elles ont 
être = zijn
je suis
tu es
il, elle, on est
nous sommes
vous êtes
ils, elles sont 

Slide 9 - Slide

Passé composé 
voltooid deelwoord 


1. -er    --> regarder = kijken                --> regardé
2. –ir    --> sortir = uitgaan                  -->  sorti
3. –re    -->vendre = verkopen            --> vendu

Slide 10 - Slide

De werkwoorden die je vervoegt met être leer je best uit je hoofd

Slide 11 - Slide

Passé composé
Hulpwerkwoord être: het voltooid deelwoord past  zich aan aan het onderwerp. Kijk goed:

  • Il est allé au collège. Hij is naar school gegaan. 
  • Elle est allée au collège. Zij is naar school gegaan. 
  • Ils sont allés au collège. Zij zijn naar school gegaan. 
  • Elles sont allées au collège. Zij zijn naar school gegaan. 


Slide 12 - Slide

passé composé- volt. dw. 
Onregelmatige voltooid deelwoorden moet je uit je hoofd leren 
1. avoir (hebben) j’ai eu --> ik heb gehad
2. être (zijn) j’ai été -->ik ben geweest
3. prendre (nemen) j’ai pris --> k heb genomen
4. venir (komen) je suis venu --> ik ben gekomen
5. faire (maken) j'ai fait --> ik heb gemaakt

Slide 13 - Slide

Verleden tijd - ontkenning
Je n’ai pas regardé un film. Ik heb geen film gekeken.
Elle n’est pas allée au collège. Zij is niet naar school gegaan.

  • In een ontkennende zin staat ne voor de persoonsvorm en pas er direct achter. 

Slide 14 - Slide

Wat heb je altijd nodig voor het maken van de passé composé?

Slide 15 - Open question

On a habité
A
présent
B
passé

Slide 16 - Quiz

Ma mère demande
A
présent
B
passé

Slide 17 - Quiz

nous habitons
A
présent
B
passé

Slide 18 - Quiz

elle a regardé
A
présent
B
passé

Slide 19 - Quiz

nous avons écouté
A
présent
B
passé

Slide 20 - Quiz

Uit hoeveel delen bestaat de passé composé?
A
1
B
2

Slide 21 - Quiz

Jullie hebben Parijs bezocht.
A
Vous avez visité Paris.
B
Vous allez visiter Paris.
C
Vous visitez Paris.
D
Vous avez visiter Paris.

Slide 22 - Quiz

tu - parler

verleden tijd
A
tu as parlé
B
tu est parlé
C
tu parles
D
tu parle

Slide 23 - Quiz

vous - manger

passé composé
A
vous mangez
B
vous avez mangé
C
vous êtes mangé
D
vous mangons

Slide 24 - Quiz

Welk werkwoord gebruik je het meest bij de verleden tijd?
A
être
B
avoir

Slide 25 - Quiz

Zet in de passé composé.
Tu (aller)
A
as allé
B
es allé
C
a allé
D
est allé

Slide 26 - Quiz

Passé Composé
Kies de juiste vorm:
Grandir: Je
A
J'ai grandi
B
Je suis grandi
C
Je grandis
D
Je grandissent

Slide 27 - Quiz

Slide 28 - Link

Passé composé 
Des questions?
Vragen? 

Slide 29 - Slide