Borp Levensloop H3 tm 3.6

Hoofdstuk 3 Inkomen en belasting
- Vragen over hoofdstuk 2?
- Hoofdstuk 3
1 / 44
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Hoofdstuk 3 Inkomen en belasting
- Vragen over hoofdstuk 2?
- Hoofdstuk 3

Slide 1 - Slide

Hoofdstuk 2??

Slide 2 - Slide

Belangrijkste begrippen
Loon
Winst
Arbeidsinkomen
Kapitaalinkomen
Rente
Pacht
Huur
Arbeidsmarkt

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Arbeidsmarkt
  • Vragers : de werkgevers= werkgelegenheid
  • Aanbieders : de mensen die een baan zoeken = beroepsbevolking

Slide 5 - Slide

Afgelopen zomer solliciteerde ik op de vacature van docent economie. Ik hoorde bij...
A
Vraag naar arbeid
B
Aanbod van arbeid

Slide 6 - Quiz

Waaruit bestaat de vraag naar arbeid?

Slide 7 - Open question

Waaruit bestaat het aanbod van arbeid?

Slide 8 - Open question

Hoe noemen we de prijs van arbeid?

Slide 9 - Open question

Slide 10 - Slide

Beroepsbevolking

  • mensen die kunnen & willen werken = beroepsbevolking
  • 1. iedereen die nu al werkt; 
  • 2. werklozen horen ook bij beroepsbevolking

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Noem een voordeel van eigen baas zijn en
noem een nadeel van eigen baas zijn

Slide 13 - Open question

Voor- en nadelen 
Welke voor- en nadelen zijn er aan zelfstandig ondernemer ten opzichte van werken als werknemer in loondienst bij een werkgever? 
voordelen
nadelen
alle verdiensten zijn voor jou
je hebt geen vast inkomen
je kunt veel beslissingen nemen
je bent voor alles zelf verantwoordelijk
je bepaalt zelf je werktijden
je maakt vaak lange werkdagen
je moet zelf voorzieningen regelen voor het geval je ziek of arbeidsongeschikt word

Slide 14 - Slide

Human capital
De kennis en vaardigheden die werknemers bezitten en waarover bedrijven kunnen beschikken (menselijk kapitaal)

opleiding, ervaring, technische vaardigheden, kennis

Slide 15 - Slide

Arbeidsovereenkomst
Individuele arbeidsovereenkomst (# uren, salaris, etc).
Collectieve arbeidsovereenkomst (vakantiedagen, pensioen, reiskosten,etc)
  • Vakbond en werkgever/werkgeversbond.
  • Bedrijfs-cao of een bedrijfstak-cao
Transactiekosten

Slide 16 - Slide

Investeren= aanschaf kapitaalgoederen
Kapitaal binnen economie:
1) kapitaalgoederen (auto, machine, etc)
2) Geldkapitaal (Eigen vermogen en vreemd vermogen)

Slide 17 - Slide

Loonbelasting
Als je in loondienst werkt, houdt je werkgever op  jouw salaris loonbelasting in en maakt dat over een de belastingdienst. 

Slide 18 - Slide

BOX 1

Slide 19 - Slide

Loonbelasting
Hier zit 27,65% premie volksverzekeringen in
Premiegrens

Slide 20 - Slide

3.2.3 Draagkrachtbeginsel
Draagkrachtbeginsel ‘de sterkste dragen de zwaarste lasten’.
→ mensen met meer inkomsten betalen meer.

progressieve belasting → draagkrachtbeginsel

Slide 21 - Slide

Huiswerk
Afmaken H3 tm 9 & leren voor de toets

Slide 22 - Slide

(De)nivellering
Het verkleinen van inkomensverschillen noemen we nivellering
Het vergroten van inkomensverschillen noemen we denivellering 

Slide 23 - Slide

Gemiddeld heffingstarief of belastingtarief




Percentage per verdiende euro afdracht aan de fiscus.

Slide 24 - Slide

Het marginale heffingstarief
In de schijf waarin je laatst verdiende euro valt is je marginale tarief.

bijvoorbeeld:
Mevrouw A haar Bruto inkomen van €69000. Haar marginale tarief is 49,5%
Meneer B zijn bruto inkomen bedraagt € 68000. Zijn marginale tarief is 37,1%

Slide 25 - Slide

Belastingstelsels 
  • Proportioneel belastingstelsel
  • Progressief belastingstelsel
  • Degressief belastingstelsel 

Slide 26 - Slide

Primaire inkomens: 
deze worden verdiend in het productieproces

  • loon
  • pacht/huur
  • rente
  • winst

Slide 27 - Slide

Overdrachtsinkomen
Voorbeelden van overdrachtsinkomen:
- kinderbijslag
- huurtoeslag
- zorgtoeslag
- alimentatie
- bijstand

Slide 28 - Slide

Secundair inkomen

Primair inkomen + overdrachtsinkomen - belasting =

                                       secundair inkomen

Slide 29 - Slide

Inkomensverdeling
Inkomensherverdeling in de Lorenz curve:

- Rode lijn: primaire inkomens
- Blauwe lijn: secundaire inkomens

Slide 30 - Slide

Een daling van de gini-coëfficiënt geeft aan dat de verschillen kleiner worden. 
Een gini-coëfficiënt van 0? Dat kan, het inkomen is perfect gelijkmatig verdeeld.
Gini-coëfficiënt

Slide 31 - Slide

Maken
3.9 + 3.12 + 3.18 + 3.32

Slide 32 - Slide

Kijk naar de grafiek.
Wat geeft de Lorenz curve aan ?
A
de armste 30% van de mensen verdient 30% van het inkomen
B
de armste 30% van de mensen verdient 3% van het inkomen
C
de rijkste 70 % van de mensen verdient 40 % van het inkomen
D
de rijkste 30 % van de mensen verdient 60% van het inkomen

Slide 33 - Quiz

Bij een progressief belastingstelsel is het marginale heffingstarief ...
A
kleiner dan het gemiddelde heffingstarief.
B
even groot als het gemiddelde heffingstarief.
C
groter dan het gemiddelde heffingstarief

Slide 34 - Quiz

Voor welke verdeling is de Gini Coëfficiënt groter?
A
Primair inkomen
B
Besteedbaar inkomen

Slide 35 - Quiz

Wat is vraag naar arbeid?
A
Alle vraag en aanbod van arbeid.
B
Alle mensen die werk zoeken.
C
Mensen van 15 jaar tot pensioen die werken.
D
Alle vacatures bij werkgevers.

Slide 36 - Quiz

Wat wordt geregeld in een cao?
A
Loon
B
Loon en Vrije dagen
C
Loon en Onkosten vergoeding
D
Loon, vrije dagen en onkosten vergoeding

Slide 37 - Quiz

Nivellering van inkomens betekent dat
A
De werking van het belastingstelsel
B
Het verschil tussen hoge en lage inkomens in verhouding kleiner wordt.
C
Het verder weg bij de diagonaal teken van de lorenzcurve
D
Het verschil tussen hoge en lage inkomens in verhouding groter worden.

Slide 38 - Quiz

Heffingskorting is ...
A
De belasting in box 1 + box 3
B
Korting op je heffing
C
Korting op het bedrag dat je aan IB moet betalen
D
Mensen met een laag inkomen krijgen minder inkomen

Slide 39 - Quiz

Secundair inkomen =
A
Primair inkomen + belasting - uitkering
B
Primair inkomen - belasting - uitkering
C
Primair inkomen + uitkering - belasting
D
Primair inkomen + belasting + uitkering

Slide 40 - Quiz

Onderdelen Sylabus
Domein H
4.1 Gini-coëfficiënt en percentielenratio als maatstaven voor inkomensongelijkheid.
4.2 Maatstaven voor inkomen kunnen verschillen:
huishouden vs. individu; arbeidsinkomen vs. totaal inkomen (inclusief kapitaalinkomen en uitkeringen); primair en secundair inkomen.
4.4 Nivelleren en denivelleren: met beleid verkleinen of vergroten van de relatieve inkomensverschillen tussen huishoudens.


Slide 41 - Slide

Onderdelen Sylabus
4.5 Er kan een afruil zijn tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid als herverdeling van inkomen en vermogen leidt tot minder prikkels voor economische activiteiten, bijvoorbeeld om te werken (uren, participatie, uittreding), te sparen, te scholen, te ondernemen, en tot meer prikkels om te migreren of belasting te ontwijken. Deze afruil hoeft niet op te treden als herverdeling niet leidt tot minder sterke prikkels voor economische activiteiten (via bijvoorbeeld onderwijs, kinderopvang, sociale zekerheid).

Slide 42 - Slide

Onderdelen Sylabus
4.6 Belasting: Gemiddeld en marginaal tarief; Belastingwig; Progressief /degressief belastingstelsel: gemiddeld tarief stijgt /daalt
met inkomen; Vlaktaks: 1 marginaal tarief; Belasting op inkomen uit arbeid; Belasting op vermogen; Heffingskortingen; Aftrekposten en bijtellingen;  Vennootschapsbelasting; Indirecte belastingen, zoals de btw en de accijnzen.
4.7 Uitkeringen en toeslagen als instrumenten voor herverdeling en verzekering.

Slide 43 - Slide

Onderdelen Sylabus
5.1 Begrippen voor de beschrijving van de arbeidsmarkt: Arbeidsaanbod (= beroepsbevolking); Arbeidsvraag (werkgelegenheid + openstaande vacatures); Werkloosheid; Vacatures; Loonontwikkeling; Flexwerk en zzp

Slide 44 - Slide