BEKIJK het eerste fragment.
BEKIJK het eerste fragment.
WELKE zin past bij de foto?
Mr. Bean verliest zijn bikini.
Mr. Bean verliest zijn badpak.
Mr. Bean verliest zijn onderbroek.
Mr. Bean verliest zijn zwembroek.
WELKE zin past bij de foto?
Mr.Bean is blij.
Mr.Bean is bang.
Mr.Bean is boos.
Mr.Bean is verlegen.
WELKE zin past bij de foto?
Hij staat boven op de springplank.
Hij gaat naar de kleine glijbaan.
Hij verstopt zich in het water.
Hij verstopt zich achter een muur.
WELKE zin past bij de foto?
Hij valt in het water.
Hij verliest zijn zwembroek.
Hij ziet de springplank.
Hij zit op de kleine glijbaan.
WELKE zin past bij de foto?
Mr.Bean is blij.
Mr.Bean is bang.
Mr.Bean is boos.
Mr.Bean is verlegen.
WELKE zin past bij de foto?
Mr. Bean verliest zijn bikini.
Mr. Bean verliest zijn badpak.
Mr. Bean verliest zijn onderbroek.
Mr. Bean verliest zijn zwembroek.
WELKE zin past bij de foto?
Hij staat boven op de springplank.
Hij gaat naar de kleine glijbaan.
Hij verstopt zich in het water.
Hij verstopt zich achter een muur.
WELKE zin past bij de foto?
Hij valt in het water.
Hij verliest zijn zwembroek.
Hij ziet de springplank.
Hij zit op de kleine glijbaan.
Wat heb je gezien? Vertel...
QUIZ:
BEANTWOORD de vijf vragen.
WELKE zin past bij de foto?
Mr.Bean is blij.
Mr.Bean is bang.
Mr.Bean is boos.
Mr.Bean is verlegen.
WELKE zin past bij de foto?
De redder is bang.
De redder is blij.
De redder is boos.
De redder is verlegen.
WELKE zin past bij de foto?
Mr. Bean verliest zijn bikini.
Mr. Bean verliest zijn badpak.
Mr. Bean verliest zijn onderbroek.
Mr. Bean verliest zijn zwembroek.
WELKE zin past bij de foto?
Hij staat boven op de springplank.
Hij gaat naar de kleine glijbaan.
Hij verstopt zich in het water.
Hij verstopt zich achter een muur.
WELKE zin past bij de foto?
Hij valt in het water.
Hij verliest zijn zwembroek.
Hij ziet de springplank.
Hij zit op de kleine glijbaan.
BEKIJK het tweede fragment.
Wat heb je gezien?
QUIZ:
BEANTWOORD de vijf vragen.
WELKE zin past bij de foto?
Op de lamp is er een kring van de verfpot.
Op de kast is er een kring van de verfpot.
In de zetel is er een kring van de verfpot.
Op de tafel is er kring van de verfpot.
WELKE zin past bij de foto?
In de gang is er een voetspoor van een hond.
Er zijn veel witte handsporen in de gang.
In de woonkamer zijn er veel voetsporen.
Er zijn veel witte voetsporen in de gang.
WELKE zin past bij de foto?
Er zit een bom in de verfpot.
De verfborstel valt in de verfpot.
Er zit een cadeau in de verfpot.
Er zit een spelletje in de verfpot.
WELKE zin past bij de foto?
De buurman haalt zijn hoed in de woonkamer van Mr. Bean.
De buurman is boos.
De buurman vertrekt van het feest.
De buurman kan niet in de woonkamer van Mr. Bean.