Module 1: Schaarste, geld en handel H-3 Geld, de smeerolie van ruil

H-3 Geld, de smeerolie van ruil

1 / 32
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 32 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min
Report this lesson

Items in this lesson

H-3 Geld, de smeerolie van ruil

Deze les volgt de ontwikkeling van geld van ruilhandel naar modern fiduciair geld en eindigt bij geldschepping en inflatie.

Leerdoel

Ik kan uitleggen hoe geld is ontstaan, welke functies en vormen geld heeft, hoe de waarde van geld kan worden onderscheiden en welke rol de centrale bank speelt bij geldschepping en inflatie.

De gebruiker gaf meerdere leerdoelen. Deze zijn samengebracht in één leerlingvriendelijk doel, zoals gevraagd door de instructies.

This item has no instructions

Waarom geld ontstond

  • In een ruil-economie betaal je met goederen of diensten

  • Ruil werkt alleen als twee mensen precies hebben wat de ander wil

  • Dat kost tijd en maakt handel onhandig

  • Geld ontstond om ruil eenvoudiger en sneller te maken

Benadruk het probleem van de 'dubbele behoefte aan elkaar'. Dat is de kern van waarom geld economisch nuttig werd.

Van ruilmiddel naar geld

Niet elk goed is geschikt om als geld te gebruiken. In de geschiedenis werden goederen gekozen die veel mensen wilden hebben en die makkelijk doorgegeven konden worden. Zo groeide uit ruilhandel geleidelijk een systeem met een algemeen aanvaard betaalmiddel.

Noem eventueel voorbeelden als zout, graan of edelmetaal, zonder te veel uit te weiden. Het punt is algemene aanvaarding.

Goederen met geldeigenschappen

  • Duurzame goederen bleven langer bruikbaar

  • Deelbare goederen konden voor kleine en grote betalingen dienen

  • Schaarse goederen hielden beter hun waarde

  • Zo werden metalen zoals goud en zilver populair

Koppel dit alvast aan technische vereisten van geld; dat vormt een brug naar een later subonderwerp.

Het kernidee van geld

Ruilhandel → veel transactiekosten → behoefte aan een algemeen aanvaard betaalmiddel → geld.


Door geld hoeven kopers en verkopers niet meer precies elkaars producten te willen. Daardoor groeit handel gemakkelijker.

Gebruik 'transactiekosten' als economisch kernbegrip: tijd, moeite en zoekkosten dalen door geld.

Geld als ruilmiddel

  • Met geld koop je goederen en diensten

  • Geld voorkomt omslachtige directe ruil

  • Prijzen maken vergelijken eenvoudiger

  • Handel wordt sneller en overzichtelijker

Leg uit dat geld als ruilmiddel de belangrijkste startfunctie is; de andere functies bouwen daarop voort.

Geld als oppotmiddel

Als oppotmiddel kun je koopkracht bewaren voor later. Je hoeft inkomen dus niet direct uit te geven. Dat lukt alleen als mensen erop vertrouwen dat geld later nog geaccepteerd wordt.

Maak het onderscheid tussen bewaren en uitstellen van bestedingen concreet met een simpel voorbeeld: vandaag werken, later besteden.

Geld als spaarmiddel

  • Spaargeld zet je apart voor toekomstige uitgaven

  • Sparen kan thuis, maar vaak via een bankrekening

  • Bij sparen speelt veiligheid een grote rol

  • Geld blijft zo beschikbaar voor later gebruik

In veel methodes overlappen oppotmiddel en spaarmiddel deels. Houd hier het onderscheid praktisch: oppotten = waarde bewaren, sparen = bewust opzijzetten.

Drie functies van geld

Wat geld mogelijk maakt

Wat geld over tijd doet

Ruilmiddel

  • Direct betalen

  • Handel vergemakkelijken

  • Prijzen vergelijkbaar maken

Oppotmiddel / spaarmiddel

  • Koopkracht bewaren

  • Uitgaven uitstellen

  • Geld reserveren voor later

Deze slide vat de functies samen. Noem eventueel dat in veel economieboeken ook 'rekenmiddel' bestaat, maar dat dit leerdoel focust op de drie genoemde functies.

Technische vereisten aan geld

Goed geld is:

  • Duurzaam

  • Deelbaar

  • Draagbaar

  • Waardevol genoeg

  • Eenvoudig herkenbaar

  • Moeilijk na te maken

Verbind elk kenmerk aan praktisch gebruik: een betaalmiddel moet in het dagelijks verkeer bruikbaar en betrouwbaar zijn.

Waarom deze vereisten nodig zijn

  • Duurzaam geld slijt niet snel

  • Deelbaar geld past bij kleine en grote aankopen

  • Draagbaar geld is makkelijk mee te nemen

  • Herkenbaar en veilig geld vergroot vertrouwen

Laat zien dat technische vereisten uiteindelijk draaien om vertrouwen en bruikbaarheid in het betalingsverkeer.

Het ontstaan van bankbiljetten

  • Mensen bewaarden edelmetaal bij goudsmeden of bankiers

  • Zij kregen een bewijs van ontvangst

  • Dat bewijs kon later worden ingewisseld

  • Die ontvangstbewijzen gingen uiteindelijk circuleren als betaalmiddel

Benadruk dat bankbiljetten eerst een claim op metaal waren, niet meteen geld zonder dekking.

Van gedekt naar fiduciair geld

Vroeger kon een bankbiljet vaak worden ingewisseld voor goud of zilver. In moderne economieën is dat niet meer zo. Ons geld is fiduciair geld: het heeft waarde omdat mensen erop vertrouwen dat het als betaalmiddel wordt geaccepteerd.

Leg fiduciair uit als vertrouwensgeld. De waarde berust niet op metaal, maar op acceptatie en instituties.

Chartaal en giraal geld

Chartaal geld

Giraal geld

  • geld op betaal- en spaarrekeningen

  • ontstaat als tegoed bij een bank

  • betalingen via pinnen of overschrijven

  • munten en bankbiljetten

  • tastbaar geld

  • direct in handen van mensen

Maak duidelijk dat giraal geld geen briefjes of munten zijn, maar vorderingen op de bank.

Betalen in de moderne economie

  • Veel betalingen verlopen giraal

  • Chartaal geld wordt minder vaak gebruikt

  • Toch bestaan beide vormen naast elkaar

  • Samen horen ze bij het geldverkeer

Je kunt hier verwijzen naar alledaagse voorbeelden: pinnen, online bankieren, contant wisselgeld.

Intrinsieke waarde

De intrinsieke waarde is de waarde van het materiaal waaruit geld is gemaakt. Bij een gouden munt kan dat hoog zijn. Bij modern papier- of muntgeld is de intrinsieke waarde meestal veel lager dan de waarde waarmee we betalen.

Gebruik een eenvoudig voorbeeld: een muntstuk bevat weinig metaalwaarde vergeleken met het bedrag dat erop staat.

Nominale waarde

De nominale waarde is het bedrag dat op het geld staat vermeld. Een briefje van €20 heeft een nominale waarde van 20 euro, ook al is het papier zelf veel minder waard.

Leg uit dat in het dagelijks betalingsverkeer vooral de nominale waarde telt.

Reële waarde

  • De reële waarde gaat over wat je met geld kunt kopen

  • Die hangt af van het prijspeil

  • Bij stijgende prijzen daalt de koopkracht van geld

  • Hetzelfde bedrag koopt dan minder goederen

Koppel dit al voorzichtig aan inflatie: meer prijzen per euro betekent lagere reële waarde.

Externe waarde

De externe waarde van geld is de waarde ten opzichte van andere munten. Die zie je in de wisselkoers. Als de euro minder dollars oplevert dan eerst, is de externe waarde van de euro gedaald.

Beperk je tot het idee van wisselkoers; diepere valutamarktmechanismen zijn hier niet nodig.

Vier soorten waarde

Waarde in gebruik

Reële waarde

  • Koopkracht


Externe waarde

  • Waarde tegenover andere valuta

Waarde van geld zelf

Intrinsieke waarde

  • Materiaalwaarde


Nominale waarde

  • Bedrag op munt of biljet

Deze samenvatting helpt leerlingen de vier begrippen scherp uit elkaar te houden.

De Wet van Gresham

De Wet van Gresham zegt: slecht geld verdrijft goed geld. Als er twee soorten geld met dezelfde nominale waarde circuleren, maar één soort een hogere intrinsieke waarde heeft, dan houden mensen het waardevolle geld vast en betalen ze met het minder waardevolle geld.

Noem eventueel een voorbeeld met munten van verschillend metaalgehalte. Het gedrag van mensen is hier de kern.

Waarom gebeurt dat?

  • Mensen willen waardevol geld bewaren

  • Minder waardevol geld geven ze eerder uit

  • Daardoor verdwijnt 'goed geld' uit omloop

  • Het blijft thuis, wordt omgesmolten of apart gehouden

Leg uit dat de wet vooral speelt wanneer de overheid beide geldsoorten dezelfde nominale waarde geeft.

De rol van de centrale bank

  • De centrale bank bewaakt de waarde van geld

  • Zij geeft bankbiljetten uit

  • Zij beïnvloedt de hoeveelheid geld in de economie

  • Zij speelt een centrale rol in monetair beleid

Voor Nederland in de eurozone: de Europese Centrale Bank is leidend. Houd het eenvoudig op 'de centrale bank'.

Geldschepping in hoofdlijnen

Centrale bankbeleid beïnvloedt hoeveel geld banken kunnen uitlenen. Banken creëren vervolgens giraal geld wanneer zij leningen verstrekken. Zo kan de maatschappelijke geldhoeveelheid toenemen zonder dat er evenveel extra bankbiljetten nodig zijn.

Vermijd te veel technische details. Voor 4 havo is de kern: centrale bank stuurt, banken vergroten giraal geld via kredietverlening.

Maatschappelijke geldhoeveelheid

  • Dit is de hoeveelheid geld die mensen en bedrijven samen kunnen besteden

  • Daar horen chartaal en giraal geld bij

  • Meer krediet kan de geldhoeveelheid vergroten

  • Dat beïnvloedt de bestedingen in de economie

Gebruik hier indien gewenst een eenvoudig bordmodel: meer krediet → meer bestedingsruimte.

Geldhoeveelheid en inflatie

Als de maatschappelijke geldhoeveelheid sneller groeit dan de productie van goederen en diensten, kan er te veel bestedingsruimte ontstaan. Dan stijgt de vraag sterker dan het aanbod, en dat kan leiden tot inflatie: een algemene stijging van het prijspeil.

Maak duidelijk dat niet elke groei van de geldhoeveelheid automatisch inflatie veroorzaakt; het gaat om de verhouding met productie en aanbod.

Van extra geld naar prijsstijging

Meer geld in omloop → meer bestedingen → hogere vraag naar goederen en diensten → prijzen stijgen.


Bij inflatie daalt de reële waarde van geld: met hetzelfde bedrag kun je minder kopen.

Hier komt de koppeling terug met de eerdere slide over reële waarde. Dat rondt de lesinhoud inhoudelijk af.

This item has no instructions

Begrippenlijst

Ruil-economie - een economie waarin goederen en diensten direct tegen elkaar worden geruild

Geld - een algemeen aanvaard betaalmiddel

Ruilmddel - functie van geld waarmee je goederen en diensten kunt kopen

Oppotmiddel - functie van geld waarmee je koopkracht bewaart voor later

Spaarmiddel - functie van geld waarmee je geld opzijzet voor toekomstige uitgaven

Fiduciair geld - geld dat waarde heeft door vertrouwen en acceptatie

Chartaal geld - tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten

This item has no instructions

Begrippenlijst

Giraal geld - geld op rekeningen bij banken

Intrinsieke waarde - de materiaalwaarde van geld

Nominale waarde - het bedrag dat op geld staat vermeld

Reële waarde - de koopkracht van geld

Externe waarde - de waarde van geld ten opzichte van andere valuta

Wet van Gresham - slecht geld verdrijft goed geld uit de omloop

Inflatie - algemene stijging van het prijspeil

This item has no instructions