2KB2 14 februari 2022

WELKOM
3 Kader
Welkom 2KB2

1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

WELKOM
3 Kader
Welkom 2KB2

Slide 1 - Slide

 2KB2 De les start over twee minuten !
- Mobiel in de bak
- Boek, laptop, pen en schrift op  
   tafel
- Tas van de tafel
- Eigen naam in LessonUp
- Iedereen doet mee

timer
2:00

Slide 2 - Slide

Programma van de les 2KB2

Programma:
  • Aanwezigheid
  • Gedicht van de dag
  • Toets inhaal
  • Toets Schrijven 

Lesdoel:

- verwijswoorden
-voltooid deelwoord

Slide 3 - Slide

Allereerst...
Is iedereen aanwezig?

Slide 4 - Slide

Gedicht van de dag

Slide 5 - Slide

Inhalen toets woordenschat
Woordenschat H3 en H4
donderdag 17 februari negende uur

Woordenlijsten zijn verstuurd in Magister

Slide 6 - Slide

Toets aanstaande vrijdag
Schrijven H3

Slide 7 - Slide

Lesdoelen
- je weet wat verwijswoorden zijn

- je weet dat deze, die, dat en dit verwijswoorden zijn
- je weet dat je met verwijswoorden kunt verwijzen naar iemand die of naar iets wat eerder genoemd is




Slide 8 - Slide

  • Lijdend voorwerp
Vorige les

Slide 9 - Slide

VERWIJSWOORDEN
Verwijswoorden verwijzen meestal 
naar een woord dat al eerder genoemd is of 
wijzen vooruit naar een woord dat nog genoemd gaat worden.

Slide 10 - Slide

DEZE, DIE, DAT, DAT, HIJ, ZIJ, HET, ZE, HEM, HAAR, HEN

Dit zijn verwijswoorden.





Je gebruikt deze verwijswoorden om te verwijzen naar iemand die of iets wat 
eerder genoemd is.

Slide 11 - Slide

DEZE, DIE, DIT, DAT
Dit zijn verwijswoorden.

dezE en diE gebruik je bij dE-woorden
diT en daT gebruik je bij heT-woorden



Slide 12 - Slide

de-woorden
Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord de bij staat, 
is een mannelijk of vrouwelijk woord 
of een woord in het meervoud. 

Daar kun je naar verwijzen met de 
aanwijzende voornaamwoorden deze en die.



dE eindigt op een E - dezE en diE eindigen ook op een E

Slide 13 - Slide

het-woorden
Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord het bij staat, 
is een onzijdig woord. 

Daar kun je naar verwijzen met de 
aanwijzende voornaamwoorden dit en dat.



heT eindigt op een T - dien daT eindigen ook op een T

Slide 14 - Slide

Verwijswoorden - voorbeeld


de-woorden: verwijs met deze of die



het-woorden: verwijs met dit of dat

de-woorden en het-woorden
Deze deur is op slot, maar die daar is wel open.
(de deur)
Dat paard is wild, maar dit hier is rustig.
(het paard)

Slide 15 - Slide

Bijvoorbeeld:
Rens pakt zijn jas. Rens trekt zijn jas aan.

Je kunt dit korter zeggen:
Rens pakt zijn jas. Hij trekt hem aan.

Je gebruikt hij voor Rens, en hem voor zijn jas.

Slide 16 - Slide

Wat is het juiste verwijswoord?
H3, TV: opdr. 1 (blz. 86)

Slide 17 - Slide

Waar heb je het zakje snoep gelegd, die/dat Dex gisteren heeft gekocht?
A
die
B
dat

Slide 18 - Quiz

Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het/hem naar de haven.
A
het
B
hem

Slide 19 - Quiz

Mayra's zonnebril is kapot, want Melle heeft hem/ze per ongeluk laten vallen.
A
hem
B
ze

Slide 20 - Quiz

Folkert heeft de jas van Roosmarijn meegenomen. Deze/Dit moet hij straks een hem/haar teruggeven.
A
deze, haar
B
deze, hem
C
dit, haar
D
dit, hem

Slide 21 - Quiz

De spelers moesten terugkomen op hun/zijn besluit om uit deze/dit team te stappen.
A
zijn, deze
B
zijn, dit
C
hun, dit
D
hun, deze

Slide 22 - Quiz

De koffiekopjes staan nog op dit/deze tafeltje. Wil jij hem/ze even opruimen?
A
dit, hem
B
dit, ze
C
deze, hem
D
deze, ze

Slide 23 - Quiz



Wat?
  • H3, TV: opdr. 1, 2 en 3.

Hoe?
  • Boek blz. 82 en 83 + schrift
  • Online Taalverzorging formuleren , over verwijswoorden

Klaar? 
Verder met opdracht 4

Aan het werk
timer
15:00

Slide 24 - Slide

Pak opdracht 2 erbij. 
Nakijken

Slide 25 - Slide

Noteer 2 zinnen die je gemaakt hebt bij opdracht 2. Je mag zelf kiezen welke.

Slide 26 - Open question




Na deze les...

  • Weet je wat verwijswoorden zijn
  • Weet je dat deze, die, dat en dit verwijswoorden zijn
  • Weet je dat je met verwijswoorden kunt verwijzen naar iemand die of naar iets wat eerder genoemd is
Doel

Slide 27 - Slide

Noteer 3 dingen die we deze les hebben gedaan.

Slide 28 - Open question

Ik heb hard gewerkt vandaag.
0100

Slide 29 - Poll

Huiswerk
  • Wat is een voltooid deelwoord? Neem 2 voorbeelden mee.
  • Welke 3 woorden horen bij het voltooid deelwoord?
  • Hoe weet je of een voltooid deelwoord eindigt op een -t of een -d?

Slide 30 - Slide

Bedankt en tot volgende week!

Slide 31 - Slide