De ontkenning

Leerdoel:
je kent een aantal ontkenningsvormen in het Frans
en je kunt ze in korte zinnetjes toepassen.
1 / 48
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo t, mavo, havoLeerjaar 2

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Leerdoel:
je kent een aantal ontkenningsvormen in het Frans
en je kunt ze in korte zinnetjes toepassen.

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

ik ben niet Paul
A
ne je pas suis Paul
B
je ne suis pas Paul
C
je suis ne Paul pas
D
je ne suis Paul pas

Slide 3 - Quiz

ik heb geen broer
A
ne je pas ai un frère
B
j'ai ne pas un frère
C
je n'ai pas un frère
D
j'ai un ne frère pas

Slide 4 - Quiz

nog meer ontkenningen
Noteer in je schrift!
niet meer = ne ..... plus 
        niets = ne ..... rien
             nooit = ne ..... jamais
            niemand = ne ..... personne
                nog niet = ne ..... pas encore

Slide 5 - Slide

Powerpoint 2thv Ontkenningen en oefeningen

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Link

Ik kijk nooit tv
timer
1:00
A
Je ne regarde plus la télé
B
Je ne regarde jamais la télé
C
Je ne regarde rien la télé
D
Je regarde ne la télé jamais

Slide 8 - Quiz

Wij gaan nog niet naar Parijs
timer
1:00
A
Nous ne allons pas encore à Paris
B
Nous n'allons pas encore à Paris
C
Nous allons n'à pas encore Paris
D
Nous n'allons à Paris pas encore

Slide 9 - Quiz

Hij vindt voetballen niet meer leuk.
timer
1:00
A
Il n'aime plus le foot
B
Il n'aime jamais le foot
C
Il n'aime rien le foot
D
Il n'aime pas le foot

Slide 10 - Quiz

Lucas vindt niets in zijn tas
timer
1:00
A
Lucas ne trouve plus dans son sac.
B
Lucas ne trouve personne dans son sac.
C
Ne Lucas trouve rien dans son sac.
D
Lucas ne trouve rien dans son sac.

Slide 11 - Quiz

Ik zie niemand
A
Je vois personne
B
Je ne vois rien
C
Je ne vois personne
D
Je ne vois pas personne

Slide 12 - Quiz

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Link

De ontkenning 

In het Nederlands: niet en geen

In het Frans altijd twee woorden: ne..... pas


Ne staat vóór de persoonsvorm

Pas staat direct achter de persoonsvorm

Dus: ontkenning deel 1 + pv + ontkenning deel 2


Slide 15 - Slide

de ontkenning - voorbeelden
Ik werk - Je travaille

Ik werk niet - Je ne travaille pas

Hij zingt - Il chante

Hij zingt niet - Il ne chante pas

Het is een zwembad - C'est une piscine

Het is geen zwembad - Ce n'est pas une piscine

Slide 16 - Slide

Stappenplan bij ontkennend maken:
  1. Zoek de persoonsvorm - dit is altijd een werkwoord
  2. Schrijf de persoonsvorm op (de hamburger)
  3. Zet ne ervoor en pas erachter  (de broodjes)
  4. Begint pv met klinker? verander ne in n'
  5. Zet onderwerp weer in de zin (verander Je in j' als dat kan)
  6. Zet overige zinsdelen in de zin
  7. Lees de zin nog een keer door.

Slide 17 - Slide

Vous avez beaucoup de devoirs?
A
Nous avons ne beaucoup pas de devoirs
B
Vous n'avez pas de devoirs
C
Vous avez beaucoup de ne devoirs pas
D
Nous n 'avons pas beaucoup de devoirs

Slide 18 - Quiz

Elle a une glace au chocolat?
A
Non, elle n'a pas de glace
B
Non, elle a une ne glace pas

Slide 19 - Quiz

vouloir en pouvoir
We beginnen met deze werkwoorden uit GL - Chapitre 3

Leerdoelen: 
ik kan vouloir en pouvoir vervoegen
ik weet wat vouloir en pouvoir betekenen

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

'vouloir' betekent...

Slide 23 - Open question

'pouvoir' kan twee vertalingen hebben in het Nederlands; welke?

Slide 24 - Open question

je veux
A
ik wil
B
ik kan
C
jij wil
D
jij kan

Slide 25 - Quiz

nous pouvons
A
wij willen
B
wij kunnen
C
wij mogen
D
wij hebben

Slide 26 - Quiz

zij wil
A
elle peut
B
elle veut
C
elle peux
D
elle veux

Slide 27 - Quiz

u kan
A
nous voulons
B
nous pouvons
C
vous voulez
D
vous pouvez

Slide 28 - Quiz

hij kan

Slide 29 - Open question

jullie willen

Slide 30 - Open question

zij mogen

Slide 31 - Open question

vertaal: Mag ik televisie kijken?
A
Je veux regarder la télé?
B
Je peux regarder la télé?
C
Je veux la télé regarder?
D
Je peux al télé regarder?

Slide 32 - Quiz

Let op!
Na 'vouloir' komt dus meestal nog een volledig werkwoord. 
Dit werkwoord staat onmiddellijk na de vervoeging van vouloir.

Je veux manger une glace.
Ik wil een ijsje eten.

Slide 33 - Slide

vertaal: zij wil in het zwembad zwemmen
A
elles veulent nager dans la piscine.
B
elle veut nager dans la piscine.
C
ils veulent nager dans la piscine.
D
il veut nager dans la piscine.

Slide 34 - Quiz

Let op!
Na 'pouvoir' komt dus meestal nog een volledig werkwoord. 
Dit werkwoord staat onmiddellijk na de vervoeging van pouvoir.

Je peux acheter une glace.
Ik mag een ijsje kopen.

Slide 35 - Slide

zij willen
A
ils voulent
B
ils veulent

Slide 36 - Quiz

jij kan

Slide 37 - Open question

ik heb de werkwoorden vouloir en pouvoir onder de knie
😒🙁😐🙂😃

Slide 38 - Poll

andere onregelmatige werkwoorden


je hebt al andere onregelmatige werkwoorden geleerd:
avoir - être
aller - faire

Ken je ze nog?

Slide 39 - Slide

ik heb
A
j'ai
B
je suis
C
je fais
D
je vais

Slide 40 - Quiz

tu fais
A
jij wil
B
jij kan
C
jij doet
D
jij bent

Slide 41 - Quiz

il va
A
hij is
B
hij gaat
C
hij maakt
D
hij heeft

Slide 42 - Quiz

nous sommes
A
wij hebben
B
wij zijn

Slide 43 - Quiz

vous faites
A
jullie maken
B
jullie zijn

Slide 44 - Quiz

avoir
être
aller
faire
zijn
hebben
maken / doen
gaan

Slide 45 - Drag question

Om de futur proche te vervoegen moet ik het hulpwerkwoord 'aller' vlot kennen
A
waar
B
niet waar

Slide 46 - Quiz

Om de passé composé te maken, heb ik het hulpwerkwoord ... nodig
A
avoir
B
vouloir
C
faire
D
aller

Slide 47 - Quiz

ik kan avoir - être - aller - faire vlot vervoegen
😒🙁😐🙂😃

Slide 48 - Poll