Unit 4 Selftest

Selftest
1 / 32
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Selftest

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Link

Present Simple 
  • Wanneer gebruik je de Present Simple?

  • Hoe maak je de Present Simple? 

Slide 3 - Slide

The present simple... 
Gebruik je in het Engels als iets vaak, altijd of nooit gebeurt. 


Slide 4 - Slide

De present simple heet in het Nederlands de ....
A
Verleden tijd
B
Voltooide tijd
C
Tegenwoordige tijd
D
Toekomende tijd

Slide 5 - Quiz

En dit zijn de regels:
  • Bij I, you, we en they gebruik je gewoon het hele werkwoord. 
       Bijv.: I live in New York. They go to school.
  • Bij he, she en it gebruik je het hele ww PLUS EEN -S! 
      Bijv.: He lives in New York. Tom goes to school. 

                                 We noemen dit de SHIT-rule. 

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Let op:
Als je een woord kunt vervangen door he/she/it dan zet je ook een -s achter het werkwoord.
Bijv.: My dog never drinks water. Want: my dog = it. ->
It never drinks water.

Slide 8 - Slide

So remember:
  • I, you, we, they = het hele ww. 
Bijv.: I live. 

  • He, she, it = hele ww + s. 
Bijv:    She liveS

En: soms is he/she/it undercover! (dog = it)

Slide 9 - Slide

Ontkennende zinnen (-):
Ontkenningen in de 'Present Simple' maak je door don't / doesn't + hele werkwoord

Bij She, he, it                    = doesn't
Bij I, you, we, you, they = don't 

- Bijv. Miss Terpstra doesn't like spiders.

Slide 10 - Slide

Vragende zinnen (?):
Vragen in de 'Present Simple' maak je met do/does + het onderwerp + hele werkwoord

Bij he/she/it                    = does
Bij I/you/we/you/ they = do

? Bijv. Does Miss Terpstra like spiders?

Slide 11 - Slide

Let's practice:

Slide 12 - Slide

Kies het juiste werkwoord:
I ... the dog
A
walk
B
walks

Slide 13 - Quiz

The man ..........(see) an accident
A
see
B
sees

Slide 14 - Quiz

Kies het juiste werkwoord:
It ... the dog
A
walk
B
walks

Slide 15 - Quiz

Peter and Susan .......(go) to school by bike
A
goes
B
go

Slide 16 - Quiz

Kies het juiste werkwoord:
He ... the dog
A
walk
B
walks

Slide 17 - Quiz

Kies het juiste werkwoord:
you ... the dog
A
walk
B
walks

Slide 18 - Quiz

Do I .... the dog?
A
walks
B
walk

Slide 19 - Quiz

Does he .... the dog???
A
walks
B
walk

Slide 20 - Quiz

Kies het juiste werkwoord:
They ... the dog
A
walk
B
walks

Slide 21 - Quiz

My grandfather ........(feel) ill today
A
feel
B
feels

Slide 22 - Quiz

I don't .... the dog.
A
walks
B
walk

Slide 23 - Quiz

Kies het juiste werkwoord:
Do I ... the dog?
A
walk
B
walks

Slide 24 - Quiz

I ........(be) at school on weekdays
A
are
B
is
C
am

Slide 25 - Quiz

Present Simple:
- They _____ to go (want)

Slide 26 - Open question

Present Simple:
+ You _____ the red one (prefer)

Slide 27 - Open question

Present Simple:
+ He _____ her (like)

Slide 28 - Open question

I .........(work) in an office from 9 to 5 every day.

Slide 29 - Open question

I ........(drink) a pint of beer now.

Slide 30 - Open question

papieren Unit 4: PW op 20-4

Slide 31 - Slide

Selftest: maandag 4-4 af

Slide 32 - Slide