Havo 4: Unit 5.5: both, either, neither, each, every, no, none

Indefinite pronoun:
Both, Either, Neither, Each, Every, No, None




1 / 21
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Indefinite pronoun:
Both, Either, Neither, Each, Every, No, None




Slide 1 - Slide

Both:
  • Both beide
Beide scholen liggen bij mij in de buurt.
Both schools are near to where I live.

  • Both … and … - zowel … als ….
Zowel Ajax als Feyenoord zijn goede teams.
Both Ajax and Feyenoord are good teams.


Slide 2 - Slide

Beide voorbanden moeten vervangen worden.

Slide 3 - Open question

Either:
  • Either een en de andere
Aan beide kanten van de straat stond een stoplicht.
There were traffic lights on either side of the road.
  • Either een of de andere
Ik kon een van de opties kiezen.
I could choose either of the options.
  • Either … or … - of … of …
Wij moeten of Duits of Frans kiezen.
We have to choose either German or French.



Slide 4 - Slide

Het gebouw heeft een ingang aan beide kanten. (gebruik 'either')

Slide 5 - Open question

Neither:
  • Neither geen van beide
Geen van beide wilde met mij naar de film.
Neither wanted to go to the film with me.

  • Neither … nor … - noch … noch …
Ik houd noch van kaas noch van vlees op mijn brood.
I like neither cheese nor meat on my sandwiches.


Slide 6 - Slide

Noch Bol, noch Amazon hebben mij een terugbetaling beloofd.

Slide 7 - Open question

Geen van beiden zijn geslaagd voor het examen.

Slide 8 - Open question

Each / Every:
  • Each nadruk op elke person of elk ding afzonderlijk.
Elke persoon ging om de beurt naar binnen.
Each person took turns entering.

  • Every mensen of dingen in een groep.
De dokter gaf elke patient hetzelfde medicijn.
The doctor gave every patient the same medicine


Slide 9 - Slide

Hij ruziet met elk persoon die hij ontmoet.

Slide 10 - Open question

We zouden elk een liedje kunnen zingen.

Slide 11 - Open question

Each:
  • Each otherelkaar
Wij zien elkaar elke dag.
We see each other every day.

  • Each per stuk
Die sokken kosten 3 euro per stuk.
Those socks are 3 euros each.


Slide 12 - Slide

De knopen (buttons) kosten 5 euro per stuk.

Slide 13 - Open question

No & None:
  • No voor een zelfstandig naamwoord
Er was geen tijd voor …
There was no time for …
  • None – als het alleen staat
We zochten een toilet, maar er was er geen.
We were looking for a toilet, but there were none.
  • None gevolgd wordt door ‘of’
Dat gaat je niks aan …
That’s none of your business …



Slide 14 - Slide

Ik ben op zoek naar vrijwilligers, maar er zijn er geen.

Slide 15 - Open question

Kies uit: both/ all/ each/ every
Suppose we ... sing a song in turn.

Slide 16 - Open question

both / each / every / all / none ?

Jane and Tim ____ love dancing.

Slide 17 - Open question

I don't think much of ____ candidate.

Slide 18 - Open question

1. A train arrives __________ 10 minutes.
2. The email has been sent to ______ member of the staff.
3. _____ student had to stand up and give their own example.
A
1. every. 2. every. 3. each
B
1. each. 2. each. 3. every
C
1. each 2. every. 3. every
D
1. every, 2. each, 3. each

Slide 19 - Quiz

Ik begrijp indefinite pronouns als either, neither, both etc....
😒🙁😐🙂😃

Slide 20 - Poll

Practice
For extra practice on either, neither, both etc.
Do 5.5 ex. 37 & 38 

Slide 21 - Slide