proeftoets Taal JK

Gegeven:
Het woord 'hoeden’.
Gevraagd:
Uit hoeveel grafemen en hoeveel fonemen is bovenstaand woord opgebouwd?
A
5 grafemen, 5 fonemen
B
5 grafemen, 6 fonemen
C
6 grafemen, 5 fonemen
D
6 grafemen, 6 fonemen
1 / 40
next
Slide 1: Quiz
CommunicatieHBOStudiejaar 2

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson

Gegeven:
Het woord 'hoeden’.
Gevraagd:
Uit hoeveel grafemen en hoeveel fonemen is bovenstaand woord opgebouwd?
A
5 grafemen, 5 fonemen
B
5 grafemen, 6 fonemen
C
6 grafemen, 5 fonemen
D
6 grafemen, 6 fonemen

Slide 1 - Quiz

Gegeven:
Drie woorden:
loop - heel - broek
Gevraagd:
Welke woorden zijn klankzuiver?
A
loop, heel, broek
B
loop, heel
C
loop, broek
D
loop

Slide 2 - Quiz

Gegeven:
De elementaire leeshandeling bestaat uit verschillende deelvaardigheden.
Gevraagd:
Wat zijn deze deelvaardigheden?
A
auditieve analyse – grafeem-foneemkoppeling – spatieel ordenen – visuele synthese – betekenis geven
B
auditieve analyse – grafeem-foneemkoppeling – temporeel ordenen – visuele synthese – betekenis geven
C
visuele analyse – grafeem-foneemkoppeling – spatieel ordenen – auditieve synthese – betekenis geven
D
visuele analyse – grafeem-foneemkoppeling – temporeel ordenen – auditieve synthese – betekenis geven

Slide 3 - Quiz

Gegeven
Mingzu vraagt aan haar moeder hoe ze 'kip’ moet schrijven. Haar moeder zegt: "Zeg het woord maar eens in stukjes."
Gevraagd
Op welke auditieve vaardigheid is de opdracht van moeder gericht?
A
auditieve analyse
B
auditieve discriminatie
C
auditieve synthese
D
temporele ordening

Slide 4 - Quiz

Gegeven:
Meester Orlando zegt een zin en Emir klapt op ieder woordje in de zin in zijn handen.
Gevraagd:
Welk onderdeel van geletterdheid staat centraal in deze situatie?
A
alfabetisch principe
B
functies van gesproken taal
C
taalbewustzijn
D
spatieel ordenen

Slide 5 - Quiz

Wat wordt onder het alfabetisch principe verstaan?
A
wanneer een taal net zoveel klanken als lettertekens kent
B
wanneer een taal volgens het Latijnse alfabet wordt geschreven
C
wanneer in een taal klanken door lettertekens worden weergegeven

Slide 6 - Quiz

Gegeven:
Bram heeft een tekening gemaakt. Hij vertelt zijn moeder wat hij getekend heeft. Zijn moeder schrijft erbij wat hij bedoelt.
Gevraagd:
Welk onderdeel van geletterdheid staat centraal in dit voorbeeld?

A
functies van geschreven taal
B
technisch lezen en schrijven
C
visuele vaardigheden

Slide 7 - Quiz

Gegeven:
Luuk bekijkt met zijn vader een prentenboek. Ze hebben het boek al vier keer gelezen. “Hoe heet het boek ook weer?”, zegt vader en hij wijst naar de titel.
Gevraagd:
Welk onderdeel van geletterdheid staat centraal in dit voorbeeld?

A
boekoriëntatie
B
taalbewustzijn
C
verhaalbegrip
D
relatie tussen gesproken en geschreven taal

Slide 8 - Quiz

Gegeven:
Vader leest de krant en Ilja van twee jaar heeft ook een krant. Hij imiteert zijn vader en 'leest' de krant op zijn kop.
Gevraagd:
Welke fase van geletterdheid is in dit voorbeeld zichtbaar bij Ilja?
A
beginnende geletterdheid
B
gevorderde geletterdheid
C
ontluikende geletterdheid
D
functionele geletterdheid

Slide 9 - Quiz

Gegeven:
Midas is een geoefende lezer en heeft ’s morgens weinig tijd om de krant te lezen. Hij bekijkt altijd even vlot alle pagina’s.
Gevraagd:
Welk leestheoretisch model ondersteunt het leesgedrag in dit voorbeeld?
A
bottom-up model
B
interactief model
C
top-down model
D
fonologisch coherentiemodel

Slide 10 - Quiz

Hierna staan vier verschillende leessituaties.
In welke situatie is het lezen een ondersteunende taalactiviteit?
(zie boek 1.1)
A
Een kind leert woorden met het achtervoegsel -teit te herkennen.
B
Een kleuter luistert en kijkt op de computer naar een prentenboek.
C
Een leerling in groep 4 leest een opdracht voor uit de aardrijkskundemethode
D
Een leerling uit groep 8 leest een prentenboek voor aan een kleuter uit groep 1.

Slide 11 - Quiz

Welke uitspraak/uitspraken is/zijn waar?
1. Alle letters in het alfabet verwijzen naar een foneem.
2. In het Nederlands worden alle fonemen weergegeven door één grafeem.
A
Alleen 1 is waar
B
Alleen 2 is waar
C
1 en 2 zijn beide waar
D
1 en 2 zijn beide NIET waar

Slide 12 - Quiz

Een spellende lezer gebruikt vooral de volgende leesstrategieën:
A
lezen met behulp van morfologische analyse en lezen met behulp van de context
B
de elementaire leeshandeling en lezen met behulp van clusters en spellingpatronen
C
lezen met behulp van clusters en spellingpatronen en lezen met behulp van de visuele woordvorm
D
lezen met behulp van de context en lezen met behulp van de visuele woordvorm.

Slide 13 - Quiz

Leerlingen in groep 3 lezen wisselrijtjes van het volgende type:
mier kaas
pier vaas
dier baas
Ze oefenen hiermee de volgende leesstrategie:
A
lezen met behulp van clusters en spellingpatronen
B
lezen met behulp van de visuele woordvorm
C
elementaire leeshandeling
D
lezen met behulp van de context

Slide 14 - Quiz

Bij het lezen maken we gebruik van verschillende informatieniveaus. Een lezer die in het woord "eenstemmig" het woord "stem" herkent, maakt gebruik van:
A
het morfologisch niveau
B
het syntactisch niveau
C
het visueel niveau
D
het semantisch niveau

Slide 15 - Quiz

Een leerkracht laat een leerling de volgende tekst lezen:
"Loes gaat naar huis. Ze doet de d… open."
Met een dergelijke oefening kan men bereiken dat de leerling gebruik leert maken van de leesstrategie:
A
lezen met behulp van de visuele woordvorm
B
elementaire leeshandeling
C
lezen met behulp van de context
D
lezen met behulp van clusters en spellingpatronen

Slide 16 - Quiz

In het woord "media"
onderscheiden we:
A
vijf grafemen en vijf fonemen
B
zes grafemen en zes fonemen
C
vijf grafemen en zes fonemen
D
vijf grafemen en zeven fonemen

Slide 17 - Quiz

Bij het lezen maakt de lezer gebruik van verschillende informatieniveaus. Roeland leest de zin: De regen klettert tegen de ruiten als De regen klettert tegen de ramen.
Van welk informatieniveau maakt hij gebruik?
A
syntactisch niveau en visueel niveau
B
morfologisch niveau en syntactisch niveau
C
visueel niveau en morfologisch niveau
D
semantisch niveau en syntactisch niveau

Slide 18 - Quiz

Op de vraag 'Welk woord is het langst: trein of driewieler?' antwoordt de leerling 'trein'.
Welke deelvaardigheid van het lezen wordt hier geoefend?
A
temporeel ordenen
B
auditieve analyse
C
auditieve discriminatie
D
auditieve objectivatie

Slide 19 - Quiz

De leerkracht zegt: 'Luister goed. Ik zeg telkens twee klanken. Jij moet zeggen of ze verschillend zijn of hetzelfde, bijvoorbeeld /eu/ - /eu/.'
Deze oefening heeft betrekking op de deelvaardigheid:
A
auditieve analyse
B
klankpositie bepalen
C
auditieve discriminatie
D
spatieel ordenen

Slide 20 - Quiz

De leraar zegt: 'Zeg het woord /bloemengieter/ in stukjes en leg voor elk stukje een blokje op de tafel.'
Deze oefening heeft betrekking op de deelvaardigheid:
A
auditieve analyse
B
auditieve discriminatie
C
temporeel ordenen
D
auditieve objectivatie

Slide 21 - Quiz

Je wilt een auditieve syntheseoefening geven.
Welk type oefening kun je daarvoor het best gebruiken?
A
Zoek het plaatje van een woord waar je achteraan een /s/ hoort.
B
Wat hoor je vooraan bij /riem/? En bij /mier/? Enzovoort.
C
Zijn deze woorden hetzelfde: boot – poot?
D
Welk woord zeg ik: /r/ /aa/ /m/?

Slide 22 - Quiz

De leraar zegt: 'Ik zeg een zin: '/Wim gaat naar huis/.' Wat is het laatste woord in die zin?'
Deze oefening is gericht op de deelvaardigheid:
A
auditieve analyse
B
temporeel ordenen
C
spatieel ordenen
D
auditieve discriminatie

Slide 23 - Quiz

Hierna staan vier woorden die gebruikt kunnen worden bij het aanvankelijk leesonderwijs:
poes, kop, sluipt, krul.
Orden de woorden van gemakkelijk naar moeilijk.
A
kop, poes, krul, sluipt
B
poes, kop, krul, sluipt
C
poes, kop, sluipt, krul
D
kop, krul, poes, sluipt

Slide 24 - Quiz

Wat is een voorbeeld van het instructieprincipe 'concreet ondersteunen'?
A
De leerkracht laat een leerling wisselrijtjes lezen.
B
De leerkracht leert de letter k aan als de klapstoelletter.
C
De leerkracht laat flitsstroken zien van de woorden muis, kaas en val.
D
De leerkracht wijst de k op de letterlijn aan.

Slide 25 - Quiz

Een uitgangspunt voor de instructie bij het aanvankelijk lezen is dat de leerinhoud voor kinderen gestructureerd moet worden.
Dit houdt in dat:
A
de leerkracht woorden laat hakken en plakken
B
de leerkracht woorden met de letterdoos laat leggen
C
de leerkracht de oe aanduidt als een tweetekenklank
D
de leerkracht woorden laat lezen met verlengde klankwaarde

Slide 26 - Quiz

Welk rijtje woorden bevat geschikte basiswoorden?
A
tas, ren, dus
B
deur, hoed, loop
C
mat, tik, ring
D
kast, paal, vis

Slide 27 - Quiz

In welke onderstaande activiteit wordt het instructieprincipe 'analyseren en synthetiseren' toegepast?
A
Een leerkracht leert de letter r aan als de boorletter.
B
Een leerkracht laat alle geleerde letters leggen met de letterdoos.
C
Een leerkracht laat een zin lezen waarin een woord is weggelaten.
D
Een leerkracht laat op het digibord woorden aanwijzen die beginnen met een v.

Slide 28 - Quiz

In de kim-versie van Veilig leren lezen wordt er gebruikgemaakt van overlaprijtjes.
Wat is een voorbeeld van een overlaprijtje?
A
kip - wip - lip - sip
B
kip - koop, kip - lip, kip - kin
C
kip - koop - kaap - keep
D
kip - kaas - kar - kees

Slide 29 - Quiz

De leesstrategie 'lezen met behulp van de context' kun je trainen door de volgende oefening:
A
een tekst waarin enkele letters zijn vervangen door tekens
B
een tekst waar de onderkant van de regel is weggelaten
C
een tekst met afwijkende lettertypes
D
een tekst zonder interpunctie

Slide 30 - Quiz

De leesstrategie 'lezen met behulp van clusters en spellingpatronen' kun je trainen door de volgende oefening:
A
woorden met lettergrepenverdeling
B
een tekst met afwijkende lettertypen
C
woorden waarbij de onderkant is weggelaten
D
een rij woorden waarin bepaalde letters vet gedrukt zijn

Slide 31 - Quiz

Op een werkblad staat de volgende oefening:
m | maan duim mees.
De leraar zegt: 'Op elke regel staat één letter voor de streep. Achter de streep staan telkens drie woordjes. Zet een kring om het woordje waarin je achteraan dezelfde letter ziet.'
Deze oefening is gericht op de deelvaardigheden:
A
visuele discriminatie, visuele analyse en letterpositie bepalen
B
visuele discriminatie en visuele analyse en klankletterkoppeling
C
klank-letterkoppeling en visuele discriminatie en visuele synthese
D
visuele discriminatie en visuele synthese en letterpositiebepalen

Slide 32 - Quiz

Welk van de volgende drie oefeningen is gericht op het aanleren van auditieve discriminatie?
1. De leerkracht noemt twee woorden, bijvoorbeeld: rook – rok. De kinderen moeten zeggen of ze hetzelfde zijn.
2. De leerkracht noemt een woord in klankstukken, bijvoorbeeld /ver//jaar//dag/. De leerlingen moeten zeggen welk woord het is.
3. De leerkracht noemt een reeks onsamenhangende woorden. Elke keer als een bepaald woord wordt gezegd, moet het kind de hand opsteken.
A
oefening 1 en 2
B
oefening 1 en 3
C
oefening 2 en 3
D
oefening 1, 2 en 3

Slide 33 - Quiz

Je wilt een auditieve syntheseoefening geven.
Welk type oefening kun je daarvoor het best gebruiken?
A
Zijn deze woorden hetzelfde: niet – net?
B
Zoek het plaatje van een woord waar je achteraan een /k/ hoort.
C
Wat hoor je vooraan bij /buik/? En bij /kaas/?
D
Welk woord zeg ik: /to/ /nen/?

Slide 34 - Quiz

Welke oefening is erop gericht om de leesstrategie lezen met behulp van morfologische analyse te bevorderen?
1. Het lezen van woorden op -rk of -lf (kerk, half)
2. Het lezen van samengestelde woorden (boomtak, huiswerk)
3. Het lezen van woorden op ieuw, -eeuw en -uw (nieuw, leeuw, ruw)
A
oefening 1, 2 en 3
B
oefening 2 en 3
C
oefening 2
D
oefening 3

Slide 35 - Quiz

In groep 2 hangen verschillende naamkaartjes op voorwerpen: kast, stoel, bord, tafel. Wimke ziet in een leesboekje van haar zus die in groep 3 zit het woord stoel staan en zegt: 'Daar staat stoel. Dat staat bij ons in de klas op een kaartje.'
Ze gebruikt dan de leesstrategie:
A
lezen met behulp van de visuele woordvorm
B
de elementaire leeshandeling
C
lezen met behulp van morfologische analyse
D
lezen met behulp van de context

Slide 36 - Quiz

Het top-downmodel biedt een verklaring voor het leesproces.
Wat houdt het in?
A
Het lezen begint met het waarnemen van grotere gehelen als zinnen, daarna bekijkt de lezer de letters van een woord.
B
Het lezen van afzonderlijke letters en woorden wordt sterk beïnvloed door de verwachting die een lezer heeft.
C
De lezer werkt consequent van de bovenkant van de bladzijde naar beneden en kijkt niet terug.
D
De lezer vertoont een afwisseling tussen voorspellend lezen en woord voor woord lezen.

Slide 37 - Quiz

Welke uitspraak/uitspraken is/zijn waar?
1. Het onderscheid tussen technisch lezen, begrijpend lezen en belevend lezen is kunstmatig.
2. Het onderscheid tussen de verschillende leesvormen is alleen vanuit didactisch oogpunt zinvol.
A
Alleen uitspraak 1 is waar.
B
Alleen uitspraak 2 is waar.
C
Uitspraak 1 en 2 zijn allebei waar.
D
Geen van beide is waar.

Slide 38 - Quiz

Hierna staan drie uitspraken die betrekking hebben op het ordenen van de leerstof bij het aanvankelijk lezen. Welke uitspra(a)ken is/zijn juist?
1. Je moet eerst grafemen aanleren en daarna fonemen.
2. Je moet eerst mkm-woorden aanleren, daarna klankzuivere woorden.
3. Je moet eerst grafemen van 2 letters aanleren, daarna grafemen van 1 letter.
A
Alle uitspraken zijn juist.
B
Alleen uitspraak 1 en 2 zijn juist.
C
Alleen uitspraak 3 is juist.
D
Alle uitspraken zijn onjuist.

Slide 39 - Quiz

Welke lettercombinatie is een grafeem?
A
sch
B
oei
C
oe
D
nk

Slide 40 - Quiz