M3 H7 les over vergrotingen

Vlakke meetkunde
Vergrotingsfactor
1 / 42
next
Slide 1: Slide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Vlakke meetkunde
Vergrotingsfactor

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

Een lijnstuk van 2 cm wordt 10 cm.
Wat is de vergrotingsfactor?
A
8
B
5
C
10

Slide 3 - Quiz

Een lijnstuk van 4 cm wordt 12 cm.
Wat is de vergrotingsfactor?
A
3
B
8
C
12

Slide 4 - Quiz

Is de rechter driehoek een vergroting van de linker driehoek?
A
ja
B
nee

Slide 5 - Quiz

De vergrotingsfactor bereken je door het beeld te delen door het origineel
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quiz

De lengte van het origineel is 10 m en van de vergroting is 30 m
Wat is de vergrotingsfactor?
A
0.3
B
0.33
C
3
D
33

Slide 7 - Quiz


Is foto C een vergroting van foto A?
A
Ja, foto C is een vergroting van foto A
B
Nee, foto C is geen vergroting van foto A
C
Weet ik niet

Slide 8 - Quiz


Dit is een verkleining van foto A naar B. Hoe bereken je de vergrotingsfactor?
A
lengte beeld : lengte origineel
B
lengte origineel : lengte beeld

Slide 9 - Quiz

Als je gaat verkleinen blijft de berekening voor de  vergrotingsfactor => lengte beeld : lengte origineel
Het getal zal dan onder de 1 zijn!

Slide 10 - Slide


Bereken de factor van de vergroting van foto A naar foto B.
A
3,7 : 2,4 = 1,54
B
2,4 : 6 = 0,4
C
2,4 : 3,7 = 0,65
D
6 : 2,4 = 2,5

Slide 11 - Quiz

Bij een verkleining praten wij toch over een vergrotingsfactor. Hoe herken je aan de factor dat het over een verkleining gaat?
A
de factor is een getal onder 1
B
de factor is een getal groter dan 1

Slide 12 - Quiz

Vergrotingsfactor
Oppervlaktevergroting
Inhoudsvergroting
hoeveel keer is het figuur vergroot?
De vergrotingsfactor in het kwadraat (²)
De vergrotingsfactor tot de macht 3 (³)
Pak je schrift!!
Gebruik de aantekeningen die ik hierover heb gegeven bij de volgende opgaven

Slide 13 - Slide

De berekening om de factor
bij de vergroting hiernaast is:
A
1,2 x 3 = 3,6 Dus de factor is 3,6
B
1,2 : 3 = 0,4 Dus de factor is 0,4
C
3 : 1,2 = 2,5 Dus de factor is 2,5
D
1,2 x 2,5 = 3 Dus de factor is 2,5

Slide 14 - Quiz

Wat wordt de breedte van de vergroting?
A
2
B
4,5
C
10
D
20

Slide 15 - Quiz

Wat wordt de breedte van de vergroting?
A
2
B
5
C
10
D
20

Slide 16 - Quiz

De diameter van figuur 1 is 30 cm. De diameter van de vergroting is 75 cm. Hoe bereken je de vergrotingsfactor?
1
2
A
30 : 75=0,4 Factor is 0,4
B
30 x 2,5 = 75 Factor is 2,5
C
75 : 30= 2,5 Factor is 2,5
D
75 - 30 = 45 Factor is 45

Slide 17 - Quiz

Wat is de vergrotingsfactor ?
A
6 : 3 = 2
B
3: 6 = 0,5

Slide 18 - Quiz

De figuur is 2x vergroot. Hoeveel keer zo groot wordt dan de oppervlakte?
A
2² = 4
B
2

Slide 19 - Quiz

Een handdoek van 0,8 m² wordt vergroot met factor 1,5. Bereken de nieuwe oppervlakte van de vergroting.
A
0,8 x 1,5 = 1,2 m²
B
0,8 x 1,5² = 1,8 m²

Slide 20 - Quiz

De oppervlakte van een vijver is in een tekening 15 cm². In het echt is de vijver 100 keer zo groot.
Hoe bereken je de nieuwe oppervlakte van de vergroting?
A
15 x 100²
B
15 x 100
C
15 x 10

Slide 21 - Quiz

Bereken hoeveel keer de oppervlakte is vergroot => dus de oppervlaktevergroting.

A
4,5 : 3 = 1,5 1,5² = 2,25
B
4,5 - 3 = 1,5
C
3 x 4,5 = 13,5
D
4,5 : 3 = 1,5

Slide 22 - Quiz

Een tekening wordt met factor 4 vergroot.
Hoeveel keer zo groot wordt de oppervlakte=> dus wat is de oppervlaktevergroting?

A
4 keer
B
4² = 16 keer
C
4³ = 64 keer

Slide 23 - Quiz

De oppervlakte van de kleine figuur is 10 cm². De oppervlakte is 250 cm². Bereken de vergrotingsfactor?

A
250 : 10 = 25
B
250 : 10 = 25 de wortel uit 25 = 5
C
250 : 10 = 25 de derdemachtswortel uit 25 is 2,92

Slide 24 - Quiz

De oppervlakte van de kleine figuur is 9,24 cm². Bereken de oppervlakte van de grote figuur?
A
3,4 : 2 = 1,7
B
2 x 9,24 = 18,48
C
3,4 : 2 = 1,7 9,24 x 1,7³ = 45,40
D
3,4 : 2 = 1,7 9,24 x 1,7² = 26,70

Slide 25 - Quiz

Als de oppervlaktevergroting 49 is, dan is de (normale) vergrotingsfactor.....
A
7
B
49

Slide 26 - Quiz

Als de oppervlaktevergroting 36 is, dan is de (normale) vergroting...
A
36
B
6

Slide 27 - Quiz

Als de vergrotingsfactor van een plat figuur 8 is, dan is de oppervlaktevergroting...
A
8
B
8² = 64

Slide 28 - Quiz

Stel: Er is een kubus met een inhoud van 27 cm³. En de vergrotingsfactor is 2. Wordt de inhoud dan ook 2x zo groot?
A
ja
B
nee

Slide 29 - Quiz

Stel: Er is een kubus met een inhoud van 27 cm³. En de vergrotingsfactor is 2. Hoeveel keer zo groot wordt de inhoud dan?
A
2³ = 8 keer
B
2 keer

Slide 30 - Quiz

Bij een vergroting is de vergrotingsfactor 3. Hoeveel keer groter is de inhoud geworden = > dus de inhoudsvergroting?
A
3³ = 27
B
3
C
3² = 9

Slide 31 - Quiz


De kleine kegel heeft een inhoud van 2 dm³. De kegel wordt 5 keer vergroot. Wat gebeurt er met de inhoud?

A
de inhoud wordt 5 keer zo groot
B
de inhoud wordt 5² = 25 keer zo groot
C
de inhoud wordt 5³ = 125 keer zo groot

Slide 32 - Quiz


De kleine kegel heeft een inhoud van 10 cm³ en de grote kegel een inhoud van 80 cm³. 
Bereken de inhoudsvergroting?
A
80 : 10 = 8
B
derdemachtswortel uit (80:10) = 2

Slide 33 - Quiz


De kleine kegel heeft een inhoud van 10 cm³ en de grote kegel een inhoud van 80 cm³. 
Bereken de vergrotingsfactor?
A
80 : 10 = 8
B
derdemachtswortel uit (80:10) = 2

Slide 34 - Quiz

Hoe bereken je de inhoudsvergroting?
A
25 x 15 = 375
B
100 : 15 = 6,66...
C
100 : 25 = 4
D
15 x 100 = 1500

Slide 35 - Quiz

Hoe bereken je de vergrotingsfactor?
A
derdemachtswortel uit(100:15) = 1,88
B
100 : 15 = 6,67
C
wortel uit(100:15) = 2,58
D
derdemachtswortel uit 100

Slide 36 - Quiz

Een emmer wordt vergroot. De inhoud van het origineel is 0,5 liter, de vergroting heeft een inhoud van 13,5 liter. Hoe vaak past de kleine emmer in de grote emmer(=inhoudsvergroting)?
A
derdemachtswortel uit (13,5 : 0,5)
B
13,5 : 0,5 = 27
C
13,5 - 0,5 = 13

Slide 37 - Quiz

Een vaas wordt vergroot. De inhoud van het origineel is 0,6 liter, de vergroting heeft een inhoud van 1,8 liter. Wat is de vergrotingsfactor?
A
derdemachtswortel uit (1,8:0,6) = 0,84
B
1,8 : 0,6 = 3

Slide 38 - Quiz

De cilinder wordt 1,8 keer vergroot. Hoeveel is de inhoud van de vergroting?
in liter?
A
45 x 1,8 = 81
B
10 x 4,5 = 45
C
45 x 1,8³ = 262,44
D
81

Slide 39 - Quiz

De cilinder wordt met een factor 5 keer vergroot. Wat wordt de nieuwe inhoud in cm³?
A
2545 cm³
B
5089 cm³
C
12723 cm³
D
63617 cm³

Slide 40 - Quiz

Als je 2 oppervlaktes deelt door elkaar dan reken je de oppervlaktevergroting uit.

Wil je terug naar de vergrotingsfactor dan moet je de wortel uit dat getal nemen.
Als je 2 inhouden deelt door elkaar dan reken je de inhoudsvergroting uit.

Wil je terug naar de vergrotingsfactor dan moet je de derdemachtswortel uit dat getal nemen.

Slide 41 - Slide

Vond je deze lessonup over vergrotingen duidelijk en/of leerzaam?

Slide 42 - Open question