naamvallen herhaling


Ziel der Stunde: Du kannst die Fälle benutzen

Wiederholung Grammatik:
- Welke naamvallen kennen we? 
- Hoe vind je de 1e, 3e en 4e naamval door te ontleden?

1 / 17
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson


Ziel der Stunde: Du kannst die Fälle benutzen

Wiederholung Grammatik:
- Welke naamvallen kennen we? 
- Hoe vind je de 1e, 3e en 4e naamval door te ontleden?

Slide 1 - Slide

Aan het eind van de les kan je:

De juiste naamval in de zin plaatsen.


Kan je de 1e, 3e en 4e naamval vinden. Als er geen voorzetel in de zin staat.


Slide 2 - Slide

Welke naamval is het onderwerp?
Je kun dit zinsdeel vervangen door Hij
A
1e
B
2e
C
3e
D
4e

Slide 3 - Quiz

Welke naamval is altijd het lijdend voorwerp? Je kunt dit zinsdeel vervangen door HEM
A
1e
B
2e
C
3e
D
4e

Slide 4 - Quiz

In welke naamval staat het lidwoord?
"Der Mann läuft weg."
A
1e
B
4e
C
Ik weet het niet
D
Geen van beide

Slide 5 - Quiz

Welke naamval staat het lidwoord?
"Ich zeige den Weg"
A
1e
B
4e
C
Ik weet het niet
D
Geen van beide

Slide 6 - Quiz

Verandering van het lidwoord

1e naamval (ow)


Der Mann läuft.

Die Frau läuft.

Das Mädchen läuft.

Die Menschen laufen.

                                  
4e naamval (lv) 


Ich sehe den Mann laufen.

Ich sehe die Frau laufen.
 Ich sehe das Mädchen laufen.
 Ich sehe die Menschen laufen.

Slide 7 - Slide

In welke naamval staat het lidw?
"Er hat den Wagen gestolen!"

Slide 8 - Open question

Wat is hier de vierde naamval?
Das Mädchen schließt das Fenster.

Slide 9 - Open question

Ontleed de zinnen.

Schrijf de juiste uitgangen op je blaadje.

  1. D____ Mann (m) läuft durch das Haus.
  2. D____ Mann hat d____ Frau gesehen.
  3. D_____ Frau hat d_____ Mädchen gerufen.
  4. D___ Kinder (mv) haben d____ Geschenk (o).
  5. D____ Mädchen kauft d____ Puppe (v).





Slide 10 - Slide

3e naamval (meew.vw)
Dit is het meewerkend voorwerp. Je kunt het vervangen door:
aan hem of voor hem

Ik geef aan de moeder bloemen.
de moeder is mw
Ich schenke der Mutter Blüme.

Slide 11 - Slide

3e naamval meew.vw
Pietje geeft  aan een meisje een kus.
Pietje gibt einem Mädchen einen Kuss. (3e-v)

Welk zinsdeel zie je nog meer in deze zin?

Slide 12 - Slide

3e naamval (meew. vw)
De man geeft                   aan het kind              de hond.
Der Mann schenkt              dem Kind         den Hund.
Ein Mann schenkt              einem Kind       einen Hund.
Kein Mann schenkt         keinem Kind      keinen Hund.
ond (1e-m)                 mw (3e-onz)            lv (4e- m)
 

Slide 13 - Slide

De EIN-Gruppe

ein, kein, mein ,dein, sein, unser, eurer, ihr Ihr
een, geen, mein, jouw, zijn, onze, jullie, hun, uw

krijgen dezelfde uitgang zoals die van -ein-!


Slide 14 - Slide

Ontleed de zinnen.

Schrijf de juiste uitgangen op je blaadje.

  1. Mein___ Vater (m)  kauft sich ein___ neuen Wagen (m).
  2. Hat eur____ Lehrerin (v) lange Haare?
  3. Sein__ Freundin (v) gibt ihr__ Bruder (m) ein___ Geschenk (o).


Slide 15 - Slide

Wat heb je nog nodig wat de naamvallen betreft?

Slide 16 - Mind map

Stappen om de juiste naamval te vinden.
  1. Zit er een voorzetsel in?
  2. Heb je een voorzetsel, dan krijg je 3e of 4e naamval.
  3. Heb je geen voorzetsel, dan pas je de hij/hem regel toe.
  4. Bepaal het geslacht (m/v/o/mv)
  5. Der-/ein-/ Gruppe-schema


Slide 17 - Slide