Herhalingsles 6NW

Herhalingsles 6NW


1 / 40
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieSecundair onderwijsTechnisch secundair onderwijsLeerjaar 6

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Herhalingsles 6NW


Alle kunststoffen kunnen oneindig gerecycleerd worden.

A

Waar

B

Niet waar

Cradle-to-cradle streeft naar afval als grondstof

A

Waar

B

Niet waar

Bioplastics zijn altijd biologisch afbreekbaar

A

Waar

B

Niet waar

Recycleren kost geen energie

A

Waar

B

Niet waar

De meest duurzame energie is de energie die je niet hoeft te gebruiken.

A

Waar

B

Niet waar

Grondstoffen zijn eindeloos beschikbaar op onze planeet

A

Waar

B

Niet waar

Ronde 1: Kunststoffen


Vraag 1

Welke groep kunststoffen zijn het beste recycleerbaar?


Vraag 2

Welke kunststof wordt gebruikt voor frisdrankflessen?

Vraag 3

Hoe noemen we de hele kleine stukjes plastic die in het milieu voorkomen?

Vraag 4

Welke kunststoffen zijn onder de juiste omstandigheden composteerbaar?


Vraag 5

Vanwege welk atoom kan pvc moeilijk gerecycleerd worden?

Vraag 6

Welk voordeel hebben kunststoffen tegenover bijvoorbeeld metaal, hout of glas?

Vraag 7

Waar of niet waar?

Alle kunststoffen mogen in de pmd-zak.


Vraag 8

Hoe noemen we de kleinste bouwstenen van kunststoffen?

Vraag 9

Zet de letters in de juiste volgorde:

a. Kunststoffen wassen

b. Kunststoffen inzamelen

c. Kunststoffen smelten

d. Kunststoffen sorteren


Vraag 10

Waar of niet waar?

Bioplastic is milieuvriendelijk.

Ronde 2: Cradle-to-Cradle & Circulaire Economie


Vraag 1

Wat betekent cradle-to-cradle?
A) Product wordt afval
B) Gesloten materiaalkringloop
C) Eénmalig gebruik
D) Alleen recycleren


Vraag 2

Wat is het doel van circulaire economie?
A) Meer produceren
B) Grondstoffen hergebruiken
C) Sneller weggooien
D) Lagere kwaliteit

Vraag 3

Wat is een biologische kringloop?
A) Materialen blijven eeuwig bestaan
B) Materialen breken af in de natuur
C) Enkel metalen
D) Alleen kunststoffen


Vraag 4

Wat hoort bij circulair ontwerp?
A) Moeilijk herstelbaar
B) Lange levensduur
C) Wegwerpgebruik
D) Lage kwaliteit

Vraag 5

Wat betekent “upcycling”?
A) Kwaliteit daalt
B) Kwaliteit stijgt
C) Product wordt afval
D) Product wordt verbrand

Vraag 6

Wat is een lineaire economie?
A) Hergebruik van materialen
B) Productie zonder afval
C) Produceren-gebruiken-weggooien
D) Recycling systeem

Vraag 7

Waarom is ontwerp belangrijk voor recyclage?
A) Geen invloed
B) Alleen esthetisch
C) Vergemakkelijkt scheiding van materialen
D) Maakt producten duurder


Vraag 8

Wat is een voorbeeld van een circulair product?
A) Wegwerpbestek
B) Herbruikbare waterfles
C) Plastic zak
D) Batterij zonder recyclage


Vraag 9

Wat betekent “afval = grondstof”?
A) Afval wordt vernietigd
B) Afval wordt opnieuw gebruikt
C) Afval wordt gestort
D) Afval wordt verbrand

Vraag 10

Wat is een gevolg van slechte recyclage?
A) Minder afval
B) Meer grondstoffen
C) Verlies van grondstoffen
D) Hogere kwaliteit


Ronde 3: Energie



Vraag 1

Geef een voorbeeld van een fossiele brandstof.


Vraag 2

Geef een voorbeeld van een hernieuwbare energiebron.


Vraag 3

Geef een voordeel van hernieuwbare energiebronnen.


Vraag 4

Wat is een nadeel van waterstof?


Vraag 5

Wat is de bijnaam van waterstofgas?


Vraag 6

Waar of niet waar?

Koolstofdioxide is een broeikasgas.


Vraag 7

Welke waterstofgas wordt door middel van elektrolyse geproduceerd?


Vraag 8

Geef een ander woord voor geothermie.


Vraag 9

Geef een energiebesparingstip.


Vraag 10

Waar of niet waar?

Kernenergie is een hernieuwbare energiebron.