Taal Compleet 4.1

Taal Compleet 4.1

Werk

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalISK

This lesson contains 15 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Taal Compleet 4.1

Werk

Aantrekken (trek... aan)

  • Betekenis: Kleren aandoen. Je aankleden.


  • Woordsoort: (scheidbaar)werkwoord


  • Voorbeeldzin:
    Voordat ik naar buiten ga trek ik eerst mijn jas aan.
    Die schoen zijn zo lelijk, die ga ik nooit aantrekken.


Aanwijzen

  • Betekenis: Met je vinger laten zien waar iets of iemand is.


  • Woordsoort: (scheidbaar) werkwoord


  • Voorbeeldzin:
    Kun je me aanwijzen waar Tsjaad ligt op de kaart ?
    Je wijst nu het verkeerde land aan.


Baas

  • Betekenis: De persoon die de leiding heeft op het werk. Degene die zegt wat je moet doen.


  • Woordsoort: Wie (zelfstandig naamwoord)

  • Meervoud: De bazen


  • Voorbeeldzin:
    Mijn baas zegt dat ik te vaak te laat op mijn werk kom.


Beantwoorden

  • Betekenis: Een antwoord geven op een vraag. Reageren


  • Woordsoort: Werkwoord


  • Voorbeeldzin: Ik ben vergeten om zijn whatsappbericht te beantwoorden.


Het beroep

  • Betekenis: Het werk dat iemand doet. Bijvoorbeeld: dokter of leraar.


  • Woordsoort: Wat (zelfstandig naamwoord)

  • Meervoud: De beroepen


  • Voorbeeldzin: Ik weet echt niet wat voor beroep ik later wil uitvoeren.


Beschrijven

  • Betekenis: Vertellen hoe iets of iemand is / hoe iets of iemand eruit ziet.


  • Woordsoort: Werkwoord


  • Voorbeeldzin: Kun je beschrijven hoe de tas eruit ziet?


Klant

  • Betekenis: Een persoon die iets koopt in een winkel of een dienst gebruikt.


  • Woordsoort: Wie (zelfstandig naamwoord)

  • Meervoud: De klanten


  • Voorbeeldzin: De klant kocht een kilo kaas, want zij is ook een klant.


Nergens

  • Betekenis: Niet op een plaats. Op geen enkele plaats.


  • Woordsoort: Waar (zelfstandig naamwoord)


  • Voorbeeldzin: Ik kan mijn sleutels nergens vinden


Oplossen

  • Betekenis: Het antwoord vinden voor een probleem of vraag. Iets laten verdwijnen.


  • Woordsoort: (scheidbaar) werkwoord


  • Voorbeeldzin:
    Hij lost altijd de puzzel in de krant op.
    Je moet de koffie wel goed laten oplossen.


Opstaan

  • Betekenis: Uit bed gaan in de ochtend.


  • Woordsoort: (scheidbaar)werkwoord


  • Voorbeeldzin:
    Ik kan niet vroeg opstaan.
    Ik sta elke dag om 05:00 op.


Uitzoeken

  • Betekenis: Iets goed bekijken om te kiezen of een antwoord te vinden.


  • Woordsoort: (scheidbaar) werkwoord


  • Voorbeeldzin: We moeten uitzoeken wanneer Lyzzelly naar de tandarts moet.


Vergadering

  • Betekenis: Een moment waarop mensen samen praten over werk of plannen.


  • Woordsoort: wat (zelfstandig naamwoord)


  • Voorbeeldzin: Ik heb om 15:00 een vergadering.


Wakker

Betekenis:


Woordsoort:


Voorbeeldzin:


Werkdag

Betekenis:


Woordsoort:


Voorbeeldzin: