Hoofdstuk 3 Basis 3 herhaling

1 / 50
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1,2,4,5,6

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

              Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon in het Zakkie 
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, rekenmachine en  etui 
timer
3:00

Slide 2 - Slide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
Indirecte ruil
Directe ruil

Slide 3 - Drag question

This item has no instructions

Sleep het onderstaande voorbeeld naar het juiste begrip.
Directe ruil
Indirecte ruil
Je ruilt een pen voor een potlood.

Slide 4 - Drag question

This item has no instructions

Sleep het onderstaande voorbeeld naar het juiste begrip.
Directe ruil
Indirecte ruil
Je geeft voetbaltraining in ruil voor een blikje energydrank

Slide 5 - Drag question

This item has no instructions

Slide 6 - Video

This item has no instructions

Slide 7 - Video

This item has no instructions

Welke geldfunctie hoort bij welke omschrijving?
Je koopt een blikje Cola.
Iemand verkoopt zijn PlayStation 5 voor € 1.200. Je vindt dit te duur.
Je gebruikt je spaargeld om rente te verdienen.
Spaarmiddel
Rekenmiddel
Ruilmiddel

Slide 8 - Drag question

This item has no instructions

Welke geldfunctie hoort waarbij?
3. Ruilmiddel
1. Rekenmiddel
2. Spaarmiddel

Slide 9 - Drag question

This item has no instructions

Functies van geld opnoemen
Ruilmiddel

Spaarmiddel

Rekenmiddel

Slide 10 - Drag question

This item has no instructions

Jitske heeft op 16 maart een tegoed op haar bankrekening van € 138. Op 17 maart ontvangt ze via de bank € 389 en betaalt ze € 647.

Bereken het nieuwe saldo na 17 maart.

Slide 11 - Open question

€ 138 + € 389 - € 647 = - € 120
Dit is een debetsaldo.
Pak je rekenmachine.
Jesper heeft een negatief saldo bij de ING van €45. Hij ontvangt loon van € 180 op zijn bankrekening en koopt (pint) een jas van € 105. Hij ontvangt € 20 cash van oma. Wat is zijn banksaldo?

Slide 12 - Open question

This item has no instructions

Positief saldo op de bank
Negatief saldo op de bank
Debetsaldo
Tekort
Creditsaldo
Tegoed
Rood staan

Slide 13 - Drag question

This item has no instructions

elektronisch betalen

Slide 14 - Mind map

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen directe ruil en indirecte ruil?
A
Bij directe ruil betaal je gelijk
B
Bij indirecte ruil gebruik je geld als ruilmiddel en bij directe ruil niet
C
Bij indirecte ruil koop je iets en ontvang je het pas later
D
Bij indirecte ruil krijg je je geld pas later

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

de drie functies van geld
ruilfunctie
reken functie
spaarfunctie
Bepalen hoeveel peren er nodig zijn om te ruilen tegen 10  kilo tomaten
loon opzij leggen om later een scooter van te kopen
het kopen van een scooter van je loon

Slide 16 - Drag question

This item has no instructions

Je koopt een bioscoopkaartje van € 11,50 . Op je bankrekening is € 17,50 zakgeld bijgeschreven. Het saldo op je bankrekening is nu € 56,21.
Bereken hoeveel het vorige saldo op je bankrekening was.

Slide 17 - Open question

This item has no instructions

Noem 4 manieren van elektronisch betalen.

Slide 18 - Open question

This item has no instructions

0

Slide 19 - Video

This item has no instructions

Welke spaarmotieven herken je?
Sparen voor een doel.
Sparen voor rente.
Sparen uit voorzorg.

Slide 20 - Drag question

This item has no instructions

Over twee jaar wil ik een auto kopen, ik ga hiervoor sparen. 
Mijn wasmachine is al 10 jaar oud, ik ga maar alvast sparen mocht de wasmachine kapot gaan. 
Als ik mijn geld op een spaarrekening zet, heb ik na een paar jaar meer geld op mijn spaarrekening. 
koppel de juiste spaarmotieven aan de tekst
sparen voor een doel
sparen uit voorzorg
sparen voor de rente

Slide 21 - Drag question

This item has no instructions

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Gewone spaarrekening
Spaardeposito
Vaste rente
Niet tussentijds aankomen
Rente kan veranderen
Geld storten en opnemen wanneer je wilt

Slide 23 - Drag question

This item has no instructions

Wat is rente bij sparen?
A
Rente is jouw spaargeld
B
Rente is een vergoeding voor je spaargeld.
C
Rente is hetzelfde als sparen.
D
Rente is wat je moet betalen aan de bank.

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Rentesom
Jan had een jaar lang €1500,- spaargeld.
De bank geeft 2% rente.
>  Vraag: hoeveel rente krijgt Jan over dat jaar?

%
100
1
2
1500
?
?

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Nog een rentesom
Linda heeft € 3200,- spaargeld. 
De bank geeft 1,8% rente per jaar.
>>Vraag: Hoeveel rente in geld krijgt Linda?

%
100
1
1,8
3200
?
?

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Noem de 3 spaarmotieven en geef ook voorbeelden.

Slide 28 - Open question

This item has no instructions

Gewone spaarrekening
Spaardeposito
Vaste rente
Niet tussentijds aankomen
Rente kan veranderen
Geld storten en opnemen wanneer je wilt

Slide 29 - Drag question

This item has no instructions

Slide 30 - Video

This item has no instructions

Soorten leningen, Welk plaatje moet waar? 
Hypothecaire lening 
Persoonlijke lening 
Rood staan 

Slide 31 - Drag question

This item has no instructions

timer
0:45
Salariskrediet
Persoonlijke lening
Je betaalt de lening terug in een vast aantal termijnbedragen met een vaste rente
Je mag rood staan op je betaalrekening

Slide 32 - Drag question

This item has no instructions

-


-

- vast aantal termijnen
- vaste rente 
- rood staan op je betaalrekening
- afhankelijk van je salaris 
- lening bij een winkel
- hoge kredietkosten
persoonlijke lening
Salariskrediet
Koop op afbetaling

Slide 33 - Drag question

This item has no instructions

timer
1:00
Hypothecaire lening
Doorlopend krediet
Persoonlijke lening
Koop op afbetaling

Lening voor de koop van een huis
Je mag het bedrag dat je hebt afgelost, weer opnieuw opnemen.
Je betaalt het geleende bedrag in vaste termijn terug.
Je koopt iets bij een webwinkel

Slide 34 - Drag question

This item has no instructions

Mark wil graag een nieuwe telefoon kopen.
Zijn vader heeft deze maand geld tekort vanwege de aanbetaling van de vakantie.
Van welke twee leenmotieven is hier sprake?
A
tijdelijk geld tekort, onverwacht dringend geld tekort
B
tijdelijk geldtekort, aanschaf duurzaam consumptiegoed
C
onverwacht dringend geld, aanschaf duurzaam consumptiegoed
D
tijdelijk geldtekort, aanschaf huis

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Ik ga 25.000 lenen
in 60 maanden.
Wat zijn de kredietkosten?

Slide 36 - Open question

This item has no instructions


Je leent €4000 en het heeft
 een looptijd van 36 maanden. 
Wat zijn de kredietkosten?

Slide 37 - Open question

This item has no instructions

Welke kredietvorm kun je afsluiten bij aankoop in een winkel of bij een internetbedrijf?
A
koop op afbetaling
B
C
hypotheek
D
doorlopend krediet

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een onzeker voorval?
A
Een gebeurtenis waarvan je zeker weet dat het gaat gebeuren
B
De kleine lettertjes in de polis.
C
Een gebeurtenis waarvan je niet zeker weet of het gaat gebeuren.
D
Een gebeurtenis waarvan jij de schuld krijgt.

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Wat is geen voorbeeld van een onzeker voorval?
A
inbraak
B
ongeluk
C
vernielen/kapot maken
D
blikseminslag

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

Wat is premie?
A
Het deel van de schade dat je zelf moet betalen en dat dus niet vergoed wordt door de verzekeraar.
B
Iets wat van je niet weet wanneer en of dat ooit zal gebeuren, zoals een ongeluk of diefstal
C
Premie + poliskosten + assurantiebelasting
D
Het bedrag dat je aan de verzekeraar betaalt om verzekerd te zijn.

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions

Wie betaalt de premie?
A
De verzekeraar
B
De verzekerde
C
De overheid

Slide 42 - Quiz

This item has no instructions

Wie ontvangt de premie
Wie ontvangt de premie
A
verzekerde
B
verzekeraar

Slide 43 - Quiz

This item has no instructions

VERZEKERINGKOSTEN uitreken.

Slide 44 - Open question

This item has no instructions

Jordy wilt zijn Fatbike verzekeren.
Premie €52 Poliskosten €6,50
Belasting 21 %
Bereken de totale verzekeringskosten.

Slide 45 - Open question

This item has no instructions

Wie betaalt het eigen risico?
A
de verzekeraar
B
de verzekerde

Slide 46 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het 'eigen risico'?
A
De eigen bijdragen aan een schade of claim
B
Het bedrag wat je terug krijgt van de verzekering
C
Het eigen risico is de premie die je maandelijks betaald
D
Je dagwaarde van de het verzekerde object

Slide 47 - Quiz

This item has no instructions

Wanneer is er sprake van een onzeker voorval?
timer
0:30
A
Wanneer je van tevoren weet wat er gaat gebeuren.
B
Wanneer je van tevoren een beetje weet wat er gaat gebeuren.
C
Het is niet zeker hoeveel de poliskosten zijn.
D
Wanneer je van tevoren niet weet wat er gaat gebeuren.

Slide 48 - Quiz

This item has no instructions

Je sluit een verzekering af. De premie bedraagt €48,50. De poliskosten zijn €4,50 en de assurantiebelasting is 21%. Bereken de verzekeringskosten.

Slide 49 - Open question

This item has no instructions

Je fiets wordt gestolen. Je fiets is voor maximaal €600 verzekerd, met een eigen risico van €85,25. Je hebt voor €550 schade. Bereken het bedrag van de schadevergoeding.

Slide 50 - Open question

This item has no instructions