Schreibmittel Kapitel 1

Schreibmittel Kapitel 1
1 / 44
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo lwoo, vwoLeerjaar 5

This lesson contains 44 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Schreibmittel Kapitel 1

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Aanhef informele brief

Slide 4 - Open question

afsluitende groet informele brief

Slide 5 - Open question

Zeg hoe het met je gaat.

Slide 6 - Open question

Vertel welke sport je doet

Slide 7 - Open question

Vermeld wat je lievelingsvak is

Slide 8 - Open question

Vertel welke opleiding je na het eindexamen gaat doen

Slide 9 - Open question

Personalpronomen

Slide 10 - Slide

Ergänze das Personalpronomen
hij - Kannst du .... sehen?

Slide 11 - Open question

Ergänze das Personalpronomen
jullie - Habt ..... den Arzt gesehen?

Slide 12 - Open question

Ergänze das Personalpronomen
zij (mv) - Ich will .... am Wochenende besuchen.

Slide 13 - Open question

Ergänze das Personalpronomen
ik - Schreibst du ... eine Nachricht?

Slide 14 - Open question

Ergänze das Personalpronomen

1 hij - Kannst du .... sehen?

Slide 15 - Open question

Ergänze das Personalpronomen

3 zij (mv) - Ich will .... am Wochenende besuchen.

Slide 16 - Open question

Ergänze das Personalpronomen

4 wij - Wann besuchst du ...?

Slide 17 - Open question

Ergänze das Personalpronomen

5 ik - Schreibst du ... eine Nachricht?

Slide 18 - Open question

Ergänze das Personalpronomen

6 zij (ev) - Kannst du .... diese Karte geben?

Slide 19 - Open question

Ergänze das Personalpronomen

7 jij - Wir informieren ... so schnell wie möglich.

Slide 20 - Open question

Ergänze das Personalpronomen:

Wie spät ist ...?
timer
0:30

Slide 21 - Open question

Keuzevoorzetsels (Wechselpräpositionen)

Slide 22 - Slide

Keuzevoorzetsels:
Welke vraag kun je stellen voor de Dativ (3e naamval)? [meerdere antwoorden]

A
Wohin?
B
Wann?
C
Wo?
D
Warum?

Slide 23 - Quiz

Keuzevoorzetsels:
Welke vraag kun je stellen voor de Akkusativ (4e naamval)?
A
Wohin?
B
Wann?
C
Wo?
D
Warum?

Slide 24 - Quiz

De theorie

Slide 25 - Slide

Keuzevoorzetsels 
an
aan/op (alleen bij dagen)
auf
op
hinter
achter
neben
naast
in 
in/binnen
über
over
unter
onder
vor
voor 
zwischen
tussen

Slide 26 - Slide

De keuzevoorzetsels kunnen zowel een Dativ (3e naamval) of een Akkusativ (4e naamval) zijn. Maar wanneer maak je gebruik dan de Dativ en wanneer van de Akkusativ?

Slide 27 - Slide

Dativ
Dativ = rust, ergens zijn.

Je kunt de vraag: Wo (waar)? stellen


Die Zeitung liegt auf dem Tisch. 
Akkusativ
Akkusativ = beweging, ergens heen. 

Je kunt de vraag: Wohin (waarheen)? stellen

Sie wirft die Zeitung auf den Tisch (m). 

Slide 28 - Slide

Vul in.
Das Auto steht vor d...…. Garage (v)

Slide 29 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De auto staat vor d.... garage (v).
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Het werkwoord 'staat' is geen beweging. Je kunt vragen 'waar'? Dus Dativ (3e naamval) vrouwelijk.

Dus: Das Auto steht vor der Garage (v)

Slide 30 - Slide

Vul in.
Das Heft fällt auf d...…...Boden (m).

Slide 31 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het schrift valt op de grond.
op = keuzevoorzetsel
Het werkwoord 'vallen' is een beweging.
Dus Akkustiv (4de naamval) mannelijk.

Dus: Das Heft fällt auf den Boden (m).


Slide 32 - Slide

Das Buch liegt auf d... Tisch(m).
A
dem
B
den

Slide 33 - Quiz

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het boek ligt op de tafel.
op = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'waar'? 
Antwoord: ligt op de tafel. Dus Dativ (3e naamval).

Dus: Das Buch liegt auf d... Tisch (m).

Slide 34 - Slide

Das Bild hängt an d.... Wand (v).
A
die
B
der

Slide 35 - Quiz

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De foto hangt aan de muur.
an (aan) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'waar'? Antwoord: aan de muur. 
Dus Dativ (3e naamval) vrouwelijk.

Dus: Das Bild hängt an der Mauer (v).

Slide 36 - Slide

Vul in.
Ich lege deinen Schlüssel auf d... Tisch (m).

Slide 37 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik leg jouw sleutel op de tafel.
auf (op) = keuzevoorzetsel
Het gaat hier om een beweging (iets neer leggen). 
Dus Akkusativ (4e naamval.)

Dus: Ich lege deinen Schlüssel auf den Tisch.


Slide 38 - Slide

Vul in.
Stehst du immer so lange vor d.... Spiegel (m)?

Slide 39 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Sta jij altijd zo lang voor de spiegel?
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'Waar?', zich bevinden, dus Dativ (3e naamval)

Dus: Stehst du immer so lange vor dem Spiegel?

Slide 40 - Slide

Vul in.
Ich warte (voor de) Apotheke (v).

Slide 41 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik wacht voor de apotheek.
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'Waar?'. Dus 3e naamval.

Dus: Ich warte (voor de) Apotheke (v).
1de naamval -> die (1)                 der (3).
Antwoord: Ich warte vor der Apotheke (v).


Slide 42 - Slide

Vul in.
Mein Opa setzt sich (op de) Bank (v) im Park.

Slide 43 - Open question

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Mijn opa gaat op de bank in het park zitten.
auf (op) = keuzevoorzetsel
'gaan zitten' is een beweging. Dus 4e naamval.

Dus: Mein Opa setzt sich (op de) Bank (v) im Park.
1de naamval -> die (1)                 die (4).
Antwoord: Mein Opa setzt sich auf die Bank (v) im Park.


Slide 44 - Slide