TaalCompleet A2 oefenoets thema 4

Maak zinnen met de woorden. 
(5 zinnen)
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NT2 Inburgering/alfabetisering volwasseneducatieBeroepsopleiding

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Maak zinnen met de woorden. 
(5 zinnen)

Slide 1 - Slide

1. opstaan

Slide 2 - Open question

2. perfect

Slide 3 - Open question

3. . tevreden

Slide 4 - Open question

4. scherp

Slide 5 - Open question

5. beloven

Slide 6 - Open question

Lezen

Slide 7 - Slide

1. Manon is gaan winkelen. Hoeveel moest zij betalen?
Sleep het rode rondje naar de goede plaats op de bon.

Slide 8 - Drag question

Slide 9 - Slide

Kijk naar de bon. Manon wil de waterkoker terugbrengen. Wat moet zij meenemen naar de winkel?
A
Alleen de waterkoker
B
Alleen de bon
C
Alles wat ze gekocht heeft
D
De waterkoker en de bon

Slide 10 - Quiz

Bij de kassa van een buurtwinkel krijg je deze spaarkaart.
Lees eerst de vragen. Zoek daarna de antwoorden in de tekst.

Slide 11 - Slide

Je hebt 6 stempels. Hoeveel korting krijg je?
A
0,00
B
7,50
C
10,00
D
15,00

Slide 12 - Quiz

Je krijgt een stempel als je voor 10 euro boodschappen doet.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 13 - Quiz

Als je kaart vol is krijg je 10 euro.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 14 - Quiz

Grammatica

Slide 15 - Slide

1. ‘Gaat je zus naar school?’
‘Ja, en ik ga met _________________ mee.’
A
hem
B
haar
C
ons
D
jou

Slide 16 - Quiz

2. ‘Is die auto van je broer?’
‘Ja, die auto is van _________________ .’
A
jou
B
haar
C
mij
D
hem

Slide 17 - Quiz

3. ‘Weet jij waar mijn sleutel is?’
‘Nee, ik heb _____________niet gezien.’
A
hem
B
haar
C
jou
D
hen

Slide 18 - Quiz

4. Mijn moeder heeft 4 zussen.
Zij spreekt vaak met ___________ af.
A
ons
B
hem
C
hen
D
het

Slide 19 - Quiz

5. ‘Zal ik _____ even helpen, meneer?’
‘Ja, graag!’
A
jou
B
hen
C
haar
D
u

Slide 20 - Quiz

Hij, hem , het of ze?
Kies het goede woord.

Slide 21 - Slide

1. Hij heeft taarten gemaakt. _________________ zijn erg lekker.
A
hij
B
hem
C
het
D
ze

Slide 22 - Quiz

2. ‘Waar is de auto?’ ‘Ik heb _________________ in de garage gezet.’
A
hij
B
hem
C
het
D
ze

Slide 23 - Quiz

3. ‘Wat kosten die telefoons?’ ‘_________________ kosten € 799 per stuk.’
A
hij
B
hem
C
het
D
ze

Slide 24 - Quiz

4. Juliette koopt een nieuwe tas. _________________ is blauw met paars.
A
hij
B
hem
C
het
D
ze

Slide 25 - Quiz

5. Heb jij het hondje van je vriendin al gezien?
Nee, ik heb ______ nog niet gezien.
A
hij
B
hem
C
het
D
ze

Slide 26 - Quiz

Maak de zin af.

Slide 27 - Slide

1. Ik ben niet blij met mijn cijfer voor rekenen. Daarom...

Slide 28 - Open question

2. Harmit heeft geen telefoon. Dus .....

Slide 29 - Open question

3. Rosa is te laat op school. Waarschijnlijk...

Slide 30 - Open question

4. Agnes vraagt om meer zakgeld. Helaas...

Slide 31 - Open question

5. In Nederland eten de mensen veel brood. In mijn land...

Slide 32 - Open question


Welke 3 maaltijden zijn er elke dag?

Slide 33 - Open question

Opdracht 69.
1.Mario werkte op dinsdag van 08.00 uur tot ...
2. Mario had 's ochtends .... te doen.
3. Mario had pauze ... het opruimen.
4. Een oude meneer ... vaak dingen.
5. Mario had ... collega's.
1. 12:00
1. 16:00
2. veel
2. weinig
3. voor
3. na
4. vergat
4. pakte
5. vervelende
5. fijne

Slide 34 - Drag question