Gentiaan 2 HV week 4

1 / 22
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Programm
Rückblick
    Lernziele

    Schritt 19
    • Bezittelijk voornaamwoord

    Aufgaben
    • 3 + 5





        Slide 3 - Slide

        Rückblick
        Was haben wir letztes Mal gemacht oder gelernt?


        Slide 4 - Slide

        Lernziele 2H
        Ik kan gebruik maken van het bezittelijk voornaamwoord

        Slide 5 - Slide

         het bezittelijk voornw.
         het bezittelijk voornaamwoord

        Slide 6 - Slide

        Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
        Hoe heet jouw oma?
        A
        Hoe
        B
        heet
        C
        jouw
        D
        oma

        Slide 7 - Quiz

        Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
        Haar moeder heet Agnes
        A
        haar
        B
        moeder
        C
        heet
        D
        Agnes

        Slide 8 - Quiz

        het bezittelijk voornaamwoord

        Bezittelijke  voornaamwoorden zijn woorden als mijn, jouw, enz.

         De persoon is  de eigenaar of maker van het voorwerp: 

        mijn fiets

        haar tekening

        hun huis

        jouw broer

        zijn auto

        Slide 9 - Slide

        Let op!!!

        Het bezittelijk voornaamwoord vervangt het lidwoord:


        Das ist ein Fahrrad.  = Das ist mein Fahrrad

        Das ist eine Schule = Das ist meine Schule


        Slide 10 - Slide

        Zoals je hebt gemerkt, hebben wij voor elk persoon een bezittelijk voornaamwoord:

        ENKELVOUD

        ik - mijn - mein

        jij - jouw - dein

        zij - haar - ihr

        hij - zijn - sein  

        het - zijn - sein



        Slide 11 - Slide

        Zoals je hebt gemerkt, hebben wij voor elk persoon een bezittelijk voornaamwoord.

        MEERVOUD:

        wij - ons/onze - unser

        jullie - jullie - euer

        zij - hun - ihr

        u - uw - Ihr



        Slide 12 - Slide

        Slide 13 - Slide

        Was ist (jouw) Name (m)?
        A
        sein
        B
        mein
        C
        dein
        D
        Ihr

        Slide 14 - Quiz

        (mijn) Hobby (o) ist Handball.
        A
        Meine
        B
        Mein
        C
        Deine
        D
        Dein

        Slide 15 - Quiz

        Das sind (onze) Eltern (mv).
        A
        meine
        B
        dein
        C
        ihr
        D
        unsere

        Slide 16 - Quiz

        (jullie) Auto (o) ist sehr schön.
        A
        unser
        B
        euere
        C
        unsere
        D
        euer

        Slide 17 - Quiz

        (onze) Klassenlehrer (m) heißt Meier.
        A
        Ihr
        B
        Ihre
        C
        Unser
        D
        Euere

        Slide 18 - Quiz

        Maaike ist (haar) Freundin (v).
        A
        meine
        B
        ihr
        C
        ihre
        D
        euere

        Slide 19 - Quiz

        (uw) Handy (o) klingelt, Frau Schmidt!
        A
        Dein
        B
        Ihr
        C
        Sein
        D
        Unser

        Slide 20 - Quiz

        Das ist (mijn) Fahrrad (o).
        A
        meine
        B
        deine
        C
        mein
        D
        sein

        Slide 21 - Quiz

        Aufgaben Schritt 19
        3 + 5

        Slide 22 - Slide