Nederlands 3V 1.2


Goedemorgen!
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson


Goedemorgen!

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Na deze les:
  • Kun je zinsdelen en zinsdeelstukken benoemen
  • Ken je het verschil tussen hoofd- en bijzinnen
  • Heb je een bouwplan gemaakt voor een betoog over een vooraf opgegeven stelling


Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Volgende les:
Neem een leesboek mee! 
VWO3: D-boeken

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Hoe ging het maken van het huiswerk?
A
Super, ik had helemaal geen problemen!
B
Ik had een paar problemen, maar het ging best goed.
C
Ik kon een paar oefeningen niet maken.
D
Ik begreep er helemaal niks van.

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Zinsdelen + zinsdeelstukken: hoe zat het ook alweer?

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Zinsdelen

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Zinsdelen:
o
pv
wwg 
nwg  
lv 
mv 
ov
vzv 
bwb
Zinsdeelstukken
bvb 
obwb
bijstelling
Tekst

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

onderwerp
w gez
Naamw gez
Bepaling van gesteldheid
Oorzakelijk voorwerp
wie of wat + gezegde?
Alle werkwoorden in een zin
Tekst
Gaat over wat het onderwerp is (niet wat hij/zij/het doet)
Wat + onderwerp+NG?

Slide 8 - Drag question

This item has no instructions

Onderwerp
Vraag: wie of wat + gezegde?

Voorbeeld: 
Meltem ligt aan het strand.

Slide 9 - Slide

Ook het vraagwoord 'Wie' is onderwerp.
Werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden in een zin

Voorbeeld: 
De kippen hebben veel eieren gelegd.

Slide 10 - Slide

In de zin 'De acteur staat te dromen over een mooie rol in Hollywood', hoort 'te' ook bij het WG
Hetzelfde geldt voor 'aan het' in de zin '...is aan het dromen over ...', 
In de zin 'De acteur verheugt zich op een rol in Hollywood' hoort 'zich' ook bij het WG, omdat het een verplicht wederkerend werkwoord is (niet toevallig).
Naamwoordelijk gezegde
  • Gaat over wat het onderwerp is (niet wat hij/zij/het doet)
  • Er staat een koppelwerkwoord in de zin (koppelt het onderwerp aan wat hij/zij/het is)
  • Werkwoordelijk en naamwoordelijk deel

Voorbeeld: 
De kat is agressief. 

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Lijdend voorwerp
Vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp?

Voorbeeld: 
Johanna heeft de gedichten geschreven.

Slide 12 - Slide

Zin met een NG bevat nooit een LV
Oorzakelijk voorwerp (OV)
Alleen bij een NG
Je zou een vergelijkbare vraag als bij LV kunnen stellen:
Wat + onderwerp+NG?
Voorbeeld:
Het meisje is haar favoriete trui kwijt.

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Meewerkend voorwerp
Vraag: aan wie of voor wie + gezegde + onderwerp?

Voorbeeld: 
Ollie heeft oma gisteren bloemen gegeven.

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Voorzetselvoorwerp
  • Vast voorzetsel bij zelfstandig werkwoord of naamwoordelijk gezegde 

Voorbeeld: 
Ik ben niet zo tevreden over deze muziek.
Hij denkt nog vaak aan zijn vakantieliefde.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Bepaling van gesteldheid
Zegt iets over twee andere zinsdelen: gezegde en onderwerp of lijdend voorwerp

Hij heeft de deur groen geverfd 
Hij heeft de deur een ander kleurtje gegeven
De man kwam totaal verregend thuis

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Bijwoordelijke bepaling(en)
Het antwoord op vragen als: waar, wanneer, waardoor, waarmee, waarnaar, wanneer, hoe, hoeveel?

Voorbeeld: 
Ik ging gisteren naar de stad.

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Zinsdeelstukken

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Bijvoeglijke bepaling(en)
  • Deel van een zinsdeel
  • Noemt eigenschap van de kern, een zelfstandig naamwoord, in dat zinsdeel

Voorbeeld: 
Aan de broer van haar vriendin geeft de blonde Donna haar concertkaartjes.

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Ondergeschikte bijwoordelijke bepaling(en)
  • Deel van een zinsdeel
  • Noemt eigenschap van de kern, GEEN zelfstandig naamwoord, in dat zinsdeel

Voorbeeld: 
De vriendelijke vrouw vertelde het spannende verhaal op een heel meeslepende manier.

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Bijstelling
  • Deel van een zinsdeel 
  • Tussen komma's achter zelfstandig naamwoord
  • Benoemt eenzelfde zaak/persoon vaak in andere woorden

Voorbeeld: 
Tallinn, de hoofdstad van de Baltische Staat Estland, was de Culturele hoofdstad van Europa 2011.

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

 oefening 1 blz 29 maken
daarna bespreken

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Wat vind je van leesvaardigheid?

  • Nadruk?
  • Motiverend? 
  • Wat zou je interessant vinden?

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Hoofd- en bijzinnen. Wat weten we nog?

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Wat weet je nog over hoofd- en bijzinnen?

Slide 25 - Open question

This item has no instructions

Samengestelde zin
Zin met twee persoonsvormen en onderwerpen

Gelijkwaardig (nevenschikkend) aan elkaar: 2 hoofdzinnen + en, want, maar, of en dus (2 goede losse zinnen)/ 2 bijzinnen
Ondergeschikt: 1 hoofdzin en 1 bijzin

Voorbeeld: 
Ik ga niet naar buiten want het regent.

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Hoofd- en bijzin
Hoofdzin: pv en ov staan naast elkaar, + (?)
Bijzin: pv en ov staan uit elkaar + (?)

Voorbeeld:
Ik vind het verbazingwekkend dat hij zijn huiswerk niet heeft gedaan.

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Huiswerk: test H1 grammatica zinsdelen
( oefening 15  van de test)

Slide 28 - Slide

This item has no instructions