3K/GT theme 4: Conditionals Zero & First & Second

Conditionals
Zero conditional
First conditional
Second conditional
1 / 34
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavo, havo, vwoLeerjaar 1-3

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Conditionals
Zero conditional
First conditional
Second conditional

Slide 1 - Slide

If-zinnen
Vier varianten: wij gaan er 3 bekijken:
  1. zero conditional
  2. first conditional

Elke conditional heeft dezelfde structuur (if-deel en main deel). Alleen het gebruik van de tijden van werkwoorden is anders! 

Slide 2 - Slide

Conditionals

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

If - sentences (zero conditional)
If you drink water,
you stay hydrated. 
Wanneer gebruik je de zero conditional?
* Als er aan deze voorwaarde wordt voldaan, is dit het gevolg

Dus, bij feiten gebruik je de zero conditional

Slide 5 - Slide

If - sentences (zero conditional)
If you drink water,
you stay hydrated. 
voorwaarde
natuurlijk gevolg
* "If-clause", het zinsdeel waar if in staat.
* In dit zinsdeel gebruik je altijd de present simple
  drink

Vorm: 
Onderwerp + werkwoord (s)

Slide 6 - Slide

If - sentences (zero conditional)
If you drink water,
you stay hydrated. 
voorwaarde
natuurlijk gevolg
* In dit zinsdeel gebruik je altijd de present simple
  stay

Vorm: 
werkwoord tegenwoordige tijd

Slide 7 - Slide

If - sentences (zero conditional)
If you drink water,
you stay hydrated. 
voorwaarde
natuurlijk gevolg
* In dit zinsdeel gebruik je altijd de present simple
 stay

* "If-clause", het zinsdeel waar if in staat.
* In dit zinsdeel gebruik je altijd de present simple
  drink

Slide 8 - Slide

The zero conditional is used for ...
A
facts
B
possible, likely situations in the future
C
unreal, unlikely situations in the future

Slide 9 - Quiz

Bij de Zero Conditional gebruik je altijd de Present Simple.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quiz

Which one is the zero conditional sentence?
A
If Greg practised more, he would be a great pianist.
B
If Sarah drives to Amsterdam, she will have to pay for parking.
C
If you sleep well, you have more energy.
D
She would worry if I told her the truth.

Slide 11 - Quiz

Welke van deze zinnen is een 'zero conditional'?
A
Ice melts if you heat it.
B
If water reaches a 100 degrees, it boils.
C
If it rains, the grass gets wet.
D
All the answers are correct.

Slide 12 - Quiz

Choose the Zero Conditional
A
People die if they don't eat.
B
If babies are hungry, they cry
C
You get water if you mix hydrogen and oxygen.
D
If you touch a fire, you get burned.

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Slide

If - sentences (first conditional)
If you study well,
you will pass the test. 
Wanneer gebruik je de first conditional?
* Als er aan deze voorwaarde wordt voldaan, is de kans heel groot dat dit zal gebeuren.

Dus, als iets waarschijnlijk is om te gebeuren - nu of in de toekomst.

Slide 15 - Slide

If - sentences (first conditional)
If you study well,
you will pass the test. 
voorwaarde
waarschijnlijk gevolg
* "If-clause", het zinsdeel waar if in staat.
* In dit zinsdeel gebruik je altijd de present simple
  study

Vorm: 
Onderwerp + werkwoord (s)

Slide 16 - Slide

If - sentences (first conditional)
If you study well,
you will pass the test. 
voorwaarde
waarschijnlijk gevolg
* In dit zinsdeel gebruik je altijd will + een werkwoord
  will pass

Vorm: 
will + werkwoord

Slide 17 - Slide

If - sentences (first conditional)
If you study well,
you will pass the test. 
voorwaarde
waarschijnlijk gevolg
* In dit zinsdeel gebruik je altijd will + een werkwoord
  will pass

* "If-clause", het zinsdeel waar if in staat.
* In dit zinsdeel gebruik je altijd de present simple
  study

Slide 18 - Slide

If - sentences (first conditional)
Waar moet je op letten? 
* De First Conditional bestaat uit twee zinsdelen: eentje bevat een voorwaarde, de ander een waarschijnlijk resultaat / gevolg.
* Deze zinsdelen hebben beide een andere tense: in de if-clause (het zinsgedeelte met if) gebruik je altijd de Present Simple, in het andere zinsgedeelte (main clause) will + een werkwoord.


if + Present Simple 
     Future
Future
If + Present Simple

Slide 19 - Slide

If I ... (to have) enough money, I ... (to buy) new shoes.
A
have - will buy
B
will have - buy
C
have - buy
D
will have - will have

Slide 20 - Quiz

If I ... (to win) the lottery, I ... (to treat) myself with a new car.
A
will win - will treat
B
win - will treat
C
win - treat
D
will win - treat

Slide 21 - Quiz

I ... (to stay) home, if it ... (to rain)
A
stay - will rain
B
stay - rains
C
will stay - rains
D
will stay - will rain

Slide 22 - Quiz

Slide 23 - Slide

If - sentences(second conditional)
If I won the lottery,
I would buy a bigger house.
Wanneer gebruik je de second conditional?
* Als het onwaarschijnlijk is dat er aan de voorwaarde voldaan kan worden

Dus, als iets onwaarschijnlijk is om te gebeuren - nu of in de toekomst.

Slide 24 - Slide

If - sentences(second conditional)
If I won the lottery,
I would buy a bigger house.
voorwaarde
(onwaarschijnlijk)
waarschijnlijk gevolg
* "If-clause", het zinsdeel waar if in staat.
* In dit zinsdeel gebruik je altijd de past simple
  won

Vorm: 
ww -ed
2e rijtje onregelmatige werkwoord

Slide 25 - Slide

If - sentences(second conditional)
If I won the lottery,
I would buy a bigger house.
voorwaarde
(onwaarschijnlijk)
waarschijnlijk gevolg
* In dit zinsdeel gebruik je altijd would + een werkwoord
  would buy

Vorm: 
would + werkwoord

Slide 26 - Slide

If - sentences(second conditional)
If I won the lottery
I would buy a bigger house.
voorwaarde
(onwaarschijnlijk)
waarschijnlijk gevolg
* In dit zinsdeel gebruik je altijd would + een werkwoord
  would buy

* "If-clause", het zinsdeel waar if in staat.
* In dit zinsdeel gebruik je altijd de past simple
  won

Slide 27 - Slide

If - sentences(second conditional)
Waar moet je op letten? 
* De Second Conditional bestaat uit twee zinsdelen: eentje bevat een onwaarschijnlijke voorwaarde, de ander een waarschijnlijk resultaat / gevolg.
* Deze zinsdelen hebben beide een andere tense: in de if-clause (het zinsgedeelte met if) gebruik je altijd de Past Simple, in het andere zinsgedeelte (main clause) would + een werkwoord.


if + Past Simple 
     Future
Future
If + Past Simple

Slide 28 - Slide

If I ... (to be) the president, I ... (to take) better care of the homeless.
A
would be - would take
B
were - took
C
were - would take
D
would be - take

Slide 29 - Quiz

If England ... (have) better weather, it ... (be) the perfect place to live.

Slide 30 - Open question

First vs. second conditional

Slide 31 - Slide

If we won the lottery, I ..... (be) very happy

Slide 32 - Open question

If it .... (snow) tonight,
the coach will cancel the match

Slide 33 - Open question

Time to work
Do exercise 55b,c
workbook page 46

Done?
Study vocabulary in book or quizlet: link

Slide 34 - Slide