TC - B1 | 2.4 Naar de bedrijfsarts

Naar de bedrijfsarts
TC - B1 | 2.4 
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 3

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 120 min
Report this lesson

Items in this lesson

Naar de bedrijfsarts
TC - B1 | 2.4 

Slide 1 - Slide

Handige zinnen

Slide 2 - Slide

Opdracht 67
  • Spreek samen
  • Gebruik de 'handige zinnen'

Slide 3 - Slide

67 | vraag 7 > Wat kun je nog meer vragen als de bij de huisarts of bedrijfsarts bent?

Slide 4 - Open question

Voltooide tijd
  • Wanneer gebruik je zijn?
  • Wanneer gebruik je hebben?

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

werkwoorden van 
BEWEGING
hebben
zijn

Slide 7 - Slide

werkwoorden van VERANDERING
zijn

Slide 8 - Slide

werkwoorden 
BLIJVEN (gebleven) 
ZIJN (geweest)
zijn

Slide 9 - Slide

Oefening 68 in het boek:
1. Jij ... naar de bedrijfsarts geweest.
A
hebt
B
bent

Slide 10 - Quiz

2. Sam ... na school naar huis gerend.
A
heeft
B
is

Slide 11 - Quiz

3 Ik ... in de auto van mijn broer gereden.
A
heb
B
ben

Slide 12 - Quiz

4. Nahom .... een afspraak gemaakt.
A
heeft
B
is

Slide 13 - Quiz

Het kopje .... op de grond gevallen.
A
heeft
B
is

Slide 14 - Quiz

6. Julan .... op zijn werk vertrokken.
A
heeft
B
is

Slide 15 - Quiz

71 | schrijf zinnen in de voltooide tijd

  • Focus: gebruik je hebben of zijn? 
  • Materiaal: werkblad 2.4b
  • Werkvorm: zelfstandig werken
  • Klaar? Kijk samen met jouw buurman of buurvrouw naar de antwoorden.


timer
10:00

Slide 16 - Slide

spreek samen
69 | kijk/luister goed: wordt er hebben of zijn gebruikt in de vraag?
70 | 
72 | 
73 | 
timer
30:00

Slide 17 - Slide

Afsluiting
Herhaling: 
voltooide tijd > hebben of zijn?

Slide 18 - Slide

Zij ......... gekookt
A
heeft
B
is

Slide 19 - Quiz

Wij ........ gelopen
A
zijn
B
hebben

Slide 20 - Quiz

Wij ....... naar het centrum gelopen
A
zijn
B
hebben

Slide 21 - Quiz

Hij ......... taart gebakken
A
heeft
B
is

Slide 22 - Quiz

zij ....... geboren
A
heeft
B
is

Slide 23 - Quiz

Wij ........ gebleven
A
zijn
B
hebben

Slide 24 - Quiz

Ik ....... op school geweest
A
heeft
B
heb
C
is
D
ben

Slide 25 - Quiz

Gisteren .......... ik 20 kilometer gewandeld
A
hebt
B
ben
C
heb
D
is

Slide 26 - Quiz

Gisteren ........ ik naar mijn vriendin gewandeld
A
heb
B
ben
C
hebben
D
zijn

Slide 27 - Quiz

Doelen 2.4
  • Ik kan handige zinnen gebruiken in een gesprek met de huisarts of bedrijfsarts.
  • Ik weet wanneer ik hebben en wanneer ik zijn moet gebruiken bij de voltooide tijd.

Slide 28 - Slide

Doelen 2.5
  • Ik begrijp de blauwe woorden over 'de mantelzorger'.
  • Ik heb geoefend met werkwoorden met vaste voorzetsels.

To do > goed leren: de blauwe woorden over 'de mantelzorger' & werkwoorden met vaste voorzetsels. 

Slide 29 - Slide


Heb je de doelen behaald?
😒🙁😐🙂😃

Slide 30 - Poll


Wat vond je van de les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 31 - Poll