This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Rekenen met variabelen
Pak je laptop, schrift en etui
Login in LessonUp
Slide 1 - Slide
Opdracht
Ik pak acht keer per week de trein tussen Nijmegen en Zutphen (heen en terug). Een enkele reis kost me €10,60. Aan het begin van de week zet ik €100,- op mijn OV-chipkaart. Bereken hoeveel geld ik aan het eind van de week nog over heb met de formule:
= het saldo op mijn OV-chipkaart
= het aantal ritjes
s=100−10.60a
s
a
timer
2:00
Slide 2 - Slide
Hoeveel geld heb ik nog op mijn OV-chipkaart staan aan het eind van de week? Vul alleen het getal in
Slide 3 - Open question
Opdracht
Ik pak acht keer per week de trein tussen Nijmegen en Zutphen (heen en terug). Een enkele reis kost me €10,60. Aan het begin van de week zet ik €100,- op mijn OV-chipkaart. Bereken hoeveel geld ik aan het eind van de week nog over heb met de formule:
= het saldo op mijn OV-chipkaart
= het aantal ritjes
s=100−10.60a
s
a
Slide 4 - Slide
Bereken w als u = 2
w=8u+5
A
18
B
21
C
26
D
87
Slide 5 - Quiz
Bereken w als u = 2
w=8u+5
Slide 6 - Slide
Laptops dicht
Slide 7 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
Slide 8 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
x+x+x=
Slide 9 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
x+x+x=3x
Slide 10 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
x+x+x=3x
r+r=
Slide 11 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
x+x+x=3x
r+r=2r
Slide 12 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
x+x+x=3x
p+p+p+p+p=
r+r=2r
Slide 13 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
x+x+x=3x
p+p+p+p+p=5p
r+r=2r
Slide 14 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
x+x+x=3x
p+p+p+p+p=5p
r+r=2r
a+a+b+b+b=
Slide 15 - Slide
Rekenen met variabelen
3+3+3+3+3=5⋅3
7+7+7=3⋅7
4+4+4+4=4⋅4
2,5+2,5=2⋅2,5
−3+−3+−3+−3=4⋅−3
x+x+x=3x
p+p+p+p+p=5p
r+r=2r
a+a+b+b+b=2a+3b
Slide 16 - Slide
p+p+p+p=
timer
0:30
Slide 17 - Open question
a+c+c+c=
timer
0:30
Slide 18 - Open question
Letterrekenen
3a+2a=
Slide 19 - Slide
Letterrekenen
3a+2a=a+a+a+
Slide 20 - Slide
Letterrekenen
3a+2a=a+a+a+a+a=
Slide 21 - Slide
Letterrekenen
3a+2a=a+a+a+a+a=5a
Slide 22 - Slide
Letterrekenen
3a+2a=a+a+a+a+a=5a
4a+2b+3a=
Slide 23 - Slide
Letterrekenen
3a+2a=a+a+a+a+a=5a
4a+2b+3a=a+a+a+a
Slide 24 - Slide
Letterrekenen
3a+2a=a+a+a+a+a=5a
4a+2b+3a=a+a+a+a+b+b
Slide 25 - Slide
Letterrekenen
3a+2a=a+a+a+a+a=5a
4a+2b+3a=a+a+a+a+b+b+a+a+a=
Slide 26 - Slide
Letterrekenen
3a+2a=a+a+a+a+a=5a
4a+2b+3a=a+a+a+a+b+b+a+a+a=7a+2b
Slide 27 - Slide
Aantekening 3.3: gelijksoortige termen samennemen
Uitdrukking = soort wiskundige zin:
Term = deel van een uitdrukking: 5 termen
Gelijksoortige term = term met precies dezelfde letter en macht en