Economie
Boeken open
Schrift
Pen en potlood
Agenda of Som
Rekenmachine
Met huiswerk begin je in de klas.
Economie
Boeken open
Schrift
Pen en potlood
Agenda of Som
Rekenmachine
Met huiswerk begin je in de klas.
Maandag 5/10/26
H4.2 Produceren
5 en 6 oktober...
Vragen over het huiswerk?
gemaakt t/m blz 111 en morgen t/m 113
Hoofdstuk 4
Waar komen de kosten vandaan?
Bespreken opgaven:
17 a Variabele kosten bij 10.000 broeken zijn 10.000 × € 7,50 = € 75.000.
Totale kosten – variabele kosten = constante kosten
€ 250.000 – € 75.000 = € 175.000 constante kosten
b € 175.000 ÷ 10.000 = € 17,50
c Totale kosten = € 175.000 + (€ 7,50 × 20.000) = € 325.000
d Constante kosten per broek bij een productie van 20.000 = € 175.000 ÷ 20.000 = € 8,75. Bij een productie van 10.000 waren de constante kosten per broek € 17,50. De constante kosten per broek zijn dus gehalveerd bij een verdubbeling van de productie.
e Omdat de constante kosten gelijk blijven, alleen de variabele kosten nemen toe. Wanneer de productie verdubbelt, verdubbelen dus alleen de variabele kosten, niet de constante kosten.
Aanschafwaarde - Restwaarde = economische levensduur
= afschrijving per jaar.
= de waardevermindering
30.000,- - 5000 = 25.000,- = 5000,-
5 5
Bespreken opgaven:
22 a Afschrijvingskosten = (€ 30.000 – € 5.000) ÷ 5 = € 5.000
b Jaar Waarde begin jaar Afschrijving Waarde eind jaar
1 € 30.000 € 5.000 € 25.000
2 € 25.000 € 5.000 € 20.000
3 € 20.000 € 5.000 € 15.000
4 € 15.000 € 5.000 € 10.000
5 € 10.000 € 5.000 € 5.000
c € 5.000 ÷ € 30.000 × 100% = 16,7%
d Afschrijvingskosten zijn niet afhankelijk van het aantal verkochte of geproduceerde
producten.
Economie
Boeken open
Schrift
Pen en potlood
Agenda of Som
Rekenmachine
Met huiswerk begin je in de klas.
H4.3 Produceren
13 oktober...
Vragen over het huiswerk?
gemaakt t/m 113
Wat zijn de meest voorkomende kostensoorten
Loonkosten
Huisvestingskosten
Verkoopkosten
Rentekosten
Te verdelen in?
Constante en..
Variabele kosten (deze zijn afhankelijk van??
In de klas makaken t/m bladzijde 113 Huiswerk paragraaf 2 af en voorbereiden
de formules die bij paragraaf 3 horen.
Aan de slag met.......
De formules die bij paragraaf 3 horen.
Text
Bespreken opgaven:
Bespreken opgaven:
27 a Zakelijke dienstverlening betekent dat bedrijven geen diensten verlenen aan consumenten, maar aan andere bedrijven
b ‘Vorig jaar’ was 2020 en dat was tijdens de coronalockdown. Veel bedrijven werkten toen minder. 2019 lijkt meer op 2021 en kun je dus beter vergelijken.
c De grafiek geeft aan wat de verandering van de omzet is in procenten ten opzichte van vorig jaar. In 2020 heeft de reisbranche heel weinig verdiend, omdat mensen thuis moesten blijven. In percentage is het enorm gestegen, maar dat zegt niets over het totaalbedrag in euro’s.
Bespreken opgaven:
27 d, de tabel
a (€ 30.000 + € 50.000) ÷ 365 = €219,18 per dag en dat is:
€ 219,18 ÷ 20 = € 10,96 per plek
b € 10,96 + € 2,50 = € 13,46
c € 13,46 × 1,8 = € 24,23
d (€ 24,23+ € 4,00) × 62 dagen = € 1.750,26
Samen opgave 29
Na de vakantie ronden we hoofdstuk 5 af en volgt de toets.
Prettige vakantie.....