Werkwoorden
in de tegenwoordige tijd
Werkwoorden
in de tegenwoordige tijd
Het vuur (branden) ___ de hele dag.
Hij (vinden) ___ een euro op straat.
Cas (geven) ___ de planten water.
(beantwoorden) ___ jij die vraag helemaal goed?
Liam (gaan) ___ graag naar het zwembad.
Sofie (antwoorden) ___ op de vraag.
Peter (fietsen) ___ naar huis.
Vincent (verliezen) ___ nooit een wedstrijd.
Dirk (worden) ___ de nieuwe kampioen.
(worden) ___ jij ook zo graag verwend?
Kristine (geven) ___ Paul een cadeautje.
De hele familie (verhuizen) ___ naar Brussel.
Mijn mama (bakken) ___ een taart.
De brandweer (rijden) ___ naar het brandende huis.
Robert (praten) ___ met de juf.
Het dekentje (liggen) ___ op het bed.
(vinden) ___ jij dat een goed idee?
Mijn broertje (lezen) ___ een nieuw boek.
De meeuw (vliegen) ___ .
(binden) ___ je mijn veter even vast?