Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Werkwoorden

in de tegenwoordige tijd

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsLager onderwijsLeerjaar 5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Werkwoorden

in de tegenwoordige tijd

Het vuur (branden) ___ de hele dag.

Hij (vinden) ___ een euro op straat.

Cas (geven) ___ de planten water.

(beantwoorden) ___ jij die vraag helemaal goed?

Liam (gaan) ___ graag naar het zwembad.

Sofie (antwoorden) ___ op de vraag.

Peter (fietsen) ___ naar huis.

Vincent (verliezen) ___ nooit een wedstrijd.

Dirk (worden) ___ de nieuwe kampioen.

(worden) ___ jij ook zo graag verwend?

Kristine (geven) ___ Paul een cadeautje.

De hele familie (verhuizen) ___ naar Brussel.

Mijn mama (bakken) ___ een taart.

De brandweer (rijden) ___ naar het brandende huis.

Robert (praten) ___ met de juf.

Het dekentje (liggen) ___ op het bed.

(vinden) ___ jij dat een goed idee?

Mijn broertje (lezen) ___ een nieuw boek.

De meeuw (vliegen) ___ .

(binden) ___ je mijn veter even vast?