Naamvallen

1e naamval

4e naamval
3e naamval
meewerkend voorwerp of aan/voor hem
onderwerp of hij
lijdend voorwerp of hem
1 / 18
next
Slide 1: Drag question
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

1e naamval

4e naamval
3e naamval
meewerkend voorwerp of aan/voor hem
onderwerp of hij
lijdend voorwerp of hem

Slide 1 - Drag question

Naamvallen
Naamvallen:

Verschillende vormen die woorden aannemen, 
afhankelijk van hun functie in de zin.

Je ziet naamvallen ook bij de lidwoorden en de bezittelijk voornaamwoorden.

Slide 2 - Slide

der-Gruppe
M
V
O
MV
1e
der 
die
das
die
3e
dem
der
dem
den +-n
4e
den
die
das
die

Slide 3 - Slide

ein-Gruppe
M
V
O
MV
1e
ein
eine
ein
keine
3e
einem
einer
einem
keinen +-n
4e
einen
eine
ein
keine

Slide 4 - Slide


  1. Staat er een voorzetsel in, ja-> 3e of 4e naamval?

Nee->
  1. Heb ik te maken met onderwerp, meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp ?
  2. Is het zelfstandignaamwoord mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud?

Slide 5 - Slide

zu
von
seit
nach
durch
für
ohne
um
bis
gegen
aus
bei
mit
4e
3e

Slide 6 - Drag question

Ontleden en invullen

Mijn zus geeft mijn moeder een cadeau. 
- Mein.... Schwester gab mein.... Mutter ein.... Geschenk (s).

 Ik ga op vakantie met mijn vrienden. 
- Ich fahre mit mein.... Freunde.... in Urlaub. 

Slide 7 - Slide

Ontleden en invullen

Mijn zus geeft mijn moeder een cadeau. 
- Meine Schwester gab meiner Mutter ein Geschenk (o).

 Ik ga op vakantie met mijn vrienden. 
- Ich fahre mit meinen Freunden in Urlaub. 

Slide 8 - Slide

Ich habe ein.... Auto (o) gestohlen
A
ein
B
einen
C
einem
D
eine

Slide 9 - Quiz

Ich gab mein... Schwester ein Buch.
A
meine
B
meinem
C
meiner
D
meinen

Slide 10 - Quiz

Mit dies... Kinder... (mv) spielt mein... Bruder.
A
diesem Kinder meinen
B
diesen Kindern mein
C
diesem Kindern mein
D
diesen Kindern meinen

Slide 11 - Quiz

Ich sehe d... Mann.
A
dem
B
der
C
den

Slide 12 - Quiz

Ich gebe mein... Mutter ein... Kuss (m).
A
meine, einen
B
meiner, einen
C
meiner, einem
D
meine, einem

Slide 13 - Quiz

Sie schenkt ihr... Schwester Blumen
A
ihrer
B
ihre
C
ihrem
D
ihren

Slide 14 - Quiz

D... Kind lacht.
A
das
B
den
C
dem
D
der

Slide 15 - Quiz

D... Mann liest d... Buch.
A
der, dem
B
den, das
C
der, den
D
der, das

Slide 16 - Quiz

Er schreibt sein... Freund.
A
seinem
B
seinen
C
seiner
D
sein

Slide 17 - Quiz

Geef aan de hand van de emoji's aan, hoe moeilijk of makkelijk je de grammatica vindt.
😒🙁😐🙂😃

Slide 18 - Poll