werkwoorden
ik w
oon, hij w
oont, wij w
on
enik spreek, hij spreekt, wij spreken
ik zeg, zij zegt, jullie zeggen
ik spel, hij spelt, wij spellen
werkwoorden
ik schrij
f, zij schrij
ft, wij schrij
venik geef, hij geeft, wij geven
ik kies, hij kiest, wij kiezen
ik lees, hij leest, wij lezen