Write Space: structuur & samenhang

Write Space: structuur & samenhang
Write Space: structuur en samenhang
1 / 23
next
Slide 1: Slide
Pedagogische wetenschappenWOStudiejaar 1

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Write Space: structuur & samenhang
Write Space: structuur en samenhang

Slide 1 - Slide

Structuur
Om je tekst een goede structuur te geven is het maken van een bouwplan belangrijk.

Een bouwplan zorgt voor het geraamte van je tekst en maakt het makkelijk om de structuur van de tekst te controleren.

Slide 2 - Slide

Wanneer maak je gebruik van je gemaakte bouwplan?
A
Voor het schrijven van de tekst
B
Tijdens het schrijven van de tekst
C
Na het schrijven van de tekst
D
Voor, tijdens en na het schrijven van de tekst

Slide 3 - Quiz

Het bouwplan
Je maakt het bouwplan aan de hand van verschillende stappen.
1. Centrale vraag opstellen: de hoofdvraag waar je antwoord op geeft in je tekst
2. Subvragen bedenken bij de centrale vraag
     2a. Subvragen bedenken bij de subvragen
3. Structureren van de vragen: volgorde, hoofd- en bijzaak, passen ze bij de centrale vraag
4. Vragen koppelen aan hoofdstukken, paragrafen en alinea's
     4a. Inleiding: aanleiding voor de tekst, introductie centrale vraag en leeswijzer
     4b. Kern: uitwerking subvragen
     4c. Conclusie: antwoord op de centrale vraag
5. Verbanden weergeven tussen vragen

Slide 4 - Slide

Centrale vraag
Elke tekst heeft een centrale vraag. Een centrale vraag kan in verschillende stijlen geschreven zijn, afhankelijk van de tekstsoort.

Slide 5 - Slide

Bepalen van de verhouding tussen een verschijnsel en een bepaalde categorie of klasse
Verklaren van een of meer verschijnselen, waarbij je een uitspraak doet over de positieve en/of negatieve kenmerken ervan
Beoordelen van 1 of meerdere verschijnselen met positieve en negatieve punten
Een maatregel of ingreep voorstellen waarmee een probleem kan worden aangepakt, of een doel kan worden bereikt
Twee of meer verschijnselen met elkaar vergelijken
Een verschijnsel in kaart brengen
Definiërend
Evaluerend
Verklarend
Beschrijvend
Adviserend
Vergelijkend

Slide 6 - Drag question

Soorten centrale vragen
Beschrijvend: een verschijnsel in kaart brengen

Vergelijkend: twee of meer verschijnselen met elkaar vergelijken

Definiërend: bepalen van de verhouding tussen een verschijnsel en een bepaalde categorie of klasse

Verklarend: verklaren van een of meer verschijnselen, waarbij je een uitspraak doet over de positieve en/of negatieve kenmerken ervan

Evaluerend: beoordelen van 1 of meerdere verschijnselen met positieve en negatieve punten

Adviserend: een maatregel of ingreep voorstellen waarmee een probleem kan worden aangepakt, of een doel kan worden bereikt

Slide 7 - Slide

Centrale vraag
Aan de hand van de centrale vraag kun je dus bepalen wat de tekstsoort is van een tekst die je leest en daarbij bepaald je centrale vraag de soort tekst die je zelf gaat schrijven.

Het is dus belangrijk om de centrale vraag te herkennen, zo begrijp je de tekst beter

Slide 8 - Slide

Wat is het soort centrale vraag?

Welke mogelijk gevolgen heeft het vernieuwde belastingplan voor alleenstaande ouderen?

A
Verklarend
B
Adviserend
C
Voorspellend
D
Beschrijvend

Slide 9 - Quiz

Wat is het soort centrale vraag?

Kunnen digitale munten als bitcoin deel gaan uitmaken van het reguliere financiële stelsel?
A
Definiërend
B
Beschrijvend
C
Evaluerend
D
Verklarend

Slide 10 - Quiz

Wat is het soort centrale vraag?

Welke specifieke maatregelen heeft de overheid in maart 2020 genomen om mkb-bedrijven met een focus op de retail tijdens de coronacrisis te ondersteunen?
A
Voorspellend
B
Vergelijkend
C
Beschrijvend
D
Definiërend

Slide 11 - Quiz

Samenhang
Je gaat beginnen met schrijven wanneer jouw bouwplan klaar is. Nu kan je je dus gaan focussen op de samenhang van jouw tekst. Door de vragen in een logische volgorde te beantwoorden kun je zo toewerken naar het beantwoorden van je hoofdvraag.

Slide 12 - Slide

Alinea's
1. Elke alinea geeft antwoord op een van je vragen uit het bouwplan
2. Elke alinea bevat een kernzin
      2a. Kernzinnen worden in de 1e of 2e alinea geschreven
      2b. Je begint of eindigt met je kernzin
3. Het midden van de alinea is de onderbouwing van je kernzin en bijbehorende voorbeelden
4. Lengte: 5-15 zinnen

Slide 13 - Slide

Wat moet er in een alinea voorkomen?
A
Kernzin en uitleg
B
Uitleg en voorbeelden
C
Kernzin, uitleg en voorbeelden
D
Kernzin en voorbeelden

Slide 14 - Quiz

Waarom verbindingen?
Vaak als er een tekst wordt geschreven is het voor de schrijver na verloop van de tijd duidelijk wat er gebeurd. Dit is voor de lezers vaak niet zo. De schrijver vergeet dan vaak een aantal denkstappen op te schrijven, waardoor er voor de lezer geen samenhang meer is. Probeer dus zinnen te verbinden met signaalwoorden of overgangszinnen.

Slide 15 - Slide

Argument of stelling?
Je kunt argumenten en stellingen vaak onderscheiden, door een dus-want controle. Bij want ga je van stelling naar argument. Terwijl je bij dus van argument naar stelling gaat.

Slide 16 - Slide

1- Lezen is onder bassischoolleerlingen een relatief belangrijke vrijetijdsbesteding

2- Basisschoolleerlingen besteden het grootste deel van hun mediatijd aan: gamen, films en lezen
A
Zin 1: argument Zin 2: stelling
B
Zin 2: argument Zin 1: stelling

Slide 17 - Quiz

Argumentaties
- Nevenschikkende argumentatie: bij nevenschikkende argumentatie kun je de argumenten samen gebruiken om het standpunt te ondersteunen.

-Onderschikkende argumentatie: bij onderschikkende argumentatie ondersteunt een argument nog een ander argument die het standpunt beargumenteert.

Slide 18 - Slide

Drogredenen
Helaas komt er ook vaak voor dat bepaalde argumenten onjuist zijn. Dit zijn drogredenen. 
De voornaamste drogredenen zijn:
1. Cirkelredenering
2. Onjuist oorzaak-gevolgrelatie
3. Overhaaste generalisatie
4. Verkeerde vergelijking
5. Onjuist beroep op autoriteit
6. Vals dilemma
7. Ontduiken van bewijslast
8. Overdrijven van de voor- en nadelen/eenzijdigheid

Slide 19 - Slide

E-bikes zijn gevaarlijk. Dit blijkt wel uit het feit dat veel senioren die op een e-bike rijden een ongeval krijgen. Welke drogreden wordt hier benoemd?
A
Vals dilemma
B
Verkeerde vergelijking
C
Overhaaste generalisatie
D
Onjuist beroep op autoriteit

Slide 20 - Quiz

Als hoogleraar in de pschylogie ben ik ervan overtuigd dat er vormen van buitenaards leven bestaan. Van welke drogreden is hier sprake?
A
Onjuist beroep op autoriteit
B
Verkeerde vergelijking
C
Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
D
Ontduiken van bewijslast

Slide 21 - Quiz

Als hoogleraar in de pschylogie ben ik ervan overtuigd dat er vormen van buitenaards leven bestaan. Van welke drogreden is hier sprake?
A
Onjuist beroep op autoriteit
B
Verkeerde vergelijking
C
Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
D
Ontduiken van bewijslast

Slide 22 - Quiz

Checklist voor structuur en samenhang
1- Heb je een bouwplan gemaakt?
2- Heb je een centrale vraag geformuleerd?
3- Wordt je centrale vraag beantwoord in de tekst?
4- Heeft elke alinea een kernzin?
5- Gebruik je voldoende signaalwoorden?
6- Hebben je alinea’s een goede lengte?
7- Gebruik je overgangszinnen?
8- Is duidelijk wat je stellingen en wat je argumenten zijn?
9- Heb je een argumentatiestructuur gebruikt?
10- Gebruik je geen drogredenen?

Slide 23 - Slide