werkwoordspelling vervolg

      Werkwoordspelling vervolg
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

      Werkwoordspelling vervolg

Slide 1 - Slide

Algemene informatie
Gemaakt door Corine
Schooljaar 2020-2021
Voor Gt-lessen online Spelling en Grammatica
lesdoel: werkwoordspelling

Slide 2 - Slide

Wat leer je deze les?
Je herkent de verschillende tijden van een werkwoord.
je schrijft de voltooide tijd van een werkwoord.
Je leert hoe je sterke werkwoorden in de verleden tijd en voltooide tijd schrijft.

Slide 3 - Slide

Wat weet je nog over de voltooide tijd (les vorige week)?

Slide 4 - Open question

Sleepvraag: werkwoorden - tijden herkennen

Hoe herken je in welke tijd een werkwoord staat?

Kijk bij de volgende sleepvraag naar de werkwoorden. 
In welke tijd staat het werkwoord? 
Sleep naar de goede tijd

Slide 5 - Slide

Verleden tijd
Voltooide tijd
Tegen-woordige tijd
Hij beantwoordde de vraag.
De vraag is beantwoord.
Beantwoord je de vraag?
Hij schrijft
Hij schreef
Hij heeft geschreven
Ze is gestart.
Maria startte
gewandeld
wandelde
wandelt

Slide 6 - Drag question

Slide 7 - Video

Voltooide tijd sterke werkwoorden
De voltooide tijd van sterke en onregelmatige werkwoorden moet je opzoeken. 
Sterke werkwoorden die veel voorkomen moet je uit je hoofd leren.

Slide 8 - Slide

Voltooid deelwoord
Begint altijd met ge- be- ver- her- of ont-
Staat nooit als enige werkwoord in een zin

           Ik ben naar school geweest
           Ik heb de tafel geverfd
Bij sterke werkwoorden eindigt het voltooid dw vaak op -en:
          zwemmen - zwom - gezwommen
          lopen - liep - gelopen 

Slide 9 - Slide

Dus: voltooid deelwoord   
sterke werkwoorden
veranderen van klank
zwakke werkwoorden
ge+stam+t/d
Er zijn geen regels voor het vervoegen van sterke werkwoorden. 
Je moet ze onthouden. 

Zij hebben gelopen.
De kast is verkocht.
Dat hebben wij vermeden. 
Ik ben verrast. 

woorden met ver- her- ont- be- of -er krijgen geen ge- extra ervoor
Bij het voltooid deelwoord gebruik je het 't ex-kofschip 
om zeker te weten of je een t of een d moet schrijven. 
Vaak wordt het voorvoegsel ge- voor de stam van het werkwoord geplaatst en komt er een d of t achter. 
veel werkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her-, ont- of ver-: bewonen - bewoond, erkennen - erkend, gebeuren - gebeurd, herinneren - herinnerd, ontdekken - ontdekt, verdelen - verdeeld
In een zin met een voltooid deelwoord 
is de persoonsvorm een hulpwerkwoord. 
Wij hebben de tas gevonden. 
Ik ben verrast. 

Slide 10 - Slide

Belangrijke sterke werkwoorden
beginnen              - begonnen                                - begonnen
verzinnen              - verzonnen                               - verzonnen
lopen                      - liepen                                          - gelopen
vallen                      - vielen                                          - gevallen
zingen                    - zongen                                       - gezongen
helpen                    - hielpen                                       - geholpen
strijken                   - streken                                       - gestreken
kijken                      - keken                                           - gekeken

Slide 11 - Slide

Sterke werkwoorden
Zwakke werkwoorden
Lopen
Eten
Gamen
Kijken
Voetballen
Bakken

Slide 12 - Drag question

Bij welke letter staan alleen sterke werkwoorden?
A
beginnen, bieden, bijten
B
klagen, kosten, krabben
C
mailen, maken, melden,
D
raden, regeren, roepen

Slide 13 - Quiz

Hij meldde zich bij de docent.
meldde =
A
sterk werkwoord
B
zwak werkwoord

Slide 14 - Quiz

Verleden tijd-
zwak of sterk:
De les begon te laat.
A
zwak
B
sterk

Slide 15 - Quiz

Verhaaltje: typ de zes ontbrekende voltooid deelwoorden:

Gisteren heb ik bij meneer Jansen... (1. schoonmaken). Ik heb de vloer ... (2. dweilen). Ook heb ik de ramen ... (3. lappen). Daarna heb ik de was voor hem ... (4. strijken). Daarna heb ik koffie ... (5. zetten). Ik heb hard ...... (6. werken)

Slide 16 - Open question

Heb je dit geleerd  je deze les?
Je herkent de verschillende tijden van een werkwoord.
Je schrijft de voltooide tijd van een werkwoord.
Je leert hoe je sterke werkwoorden in de verleden tijd en voltooide tijd schrijft.


Slide 17 - Slide

Was deze les nuttig voor jou?
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 18 - Poll

Welk voltooid deelwoord is goed?

Ik heb de oude vrouw ..... (helpen)
A
geholpen
B
gehelpen
C
gehelpt
D
gehelpd

Slide 19 - Quiz

Welk voltooid deelwoord is goed?

Ik heb de oude vrouw ..... (helpen)
A
geholpen
B
gehelpen
C
gehelpt
D
gehelpd

Slide 20 - Quiz

voltooide tijd oefenen we een andere keer


Herken je nu de tijden van de werkwoorden?
Een sleepvraag!

Slide 21 - Slide

Verleden tijd
Tegenwoordige tijd
Voltooide tijd
kochten
wassen
helpt
hielp
heeft
waren
geholpen
wordt
geworden
vinden
gevonden
hadden

Slide 22 - Drag question

Wat voor cijfer geef je deze les over werkwoordspelling? Heb je er iets aan gehad?
1 is heel slecht, 10 is heel goed
110

Slide 23 - Poll

Verder oefenen in je boek/aan de computer:


Nu Nederlands boek B Hoofdstuk 3 = werkwoordspelling
3.1: tegenwoordige tijd
3.2: verleden tijd
3.3. voltooide tijd

Slide 24 - Slide

extra materiaal

Slide 25 - Slide

Aan de slag:
Pak pen en papier.
Bekijk het volgende filmpje
schrijf zelf ook alle voltooid deelwoorden op van de werkwoorden uit de challenge. 

Succes!

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Video

Typ hier jouw voltooid deelwoorden bij de werkwoorden:

lopen, dansen, zwaaien, eten, sporten, halen, wandelen, lachen, knipogen, winnen

Slide 28 - Open question

lopen
dansen
zwaaien
eten
sporten
halen
wandelen
lachen
knipogen
winnen
gelopen
gedanst
gezwaaide
gegeten
gesport
gehaald
gewandeld
gelachen
geknipoogd
gewonnen

Slide 29 - Slide

Welk voltooid deelwoord is correct?
Ik heb heel hard naar school .... (fietsen)
A
gefietsen
B
gefietsd
C
gefietst
D
gefietste

Slide 30 - Quiz

welk voltooid deelwoord is correct?

Ik heb drie boeken ..... (lezen)
A
geleest
B
geleesd
C
gelazen
D
gelezen

Slide 31 - Quiz