DCD en herhaling

Welke problematieken in de klas ken je?
1 / 23
next
Slide 1: Mind map
OnderwijsassistentenMBOStudiejaar 3

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Welke problematieken in de klas ken je?

Slide 1 - Mind map

This item has no instructions

Problematieken 
  • DCD

  • Autisme Spectrum Stoornis

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

DCD = Development Coordination Disorder


  • DCD is een stoornis in de ontwikkeling van de coördinatie van de motoriek.  
  • Het is aangeboren (Erfelijk)
  •  ADHD of PDD-NOS

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Kenmerken DCD
  • Houterige grove motoriek
  • Slecht evenwichtsgevoel
  • Opvallende onhandigheid
  • Slechte fijne motoriek

  • Moeite met links en rechts
  • Moeite met praten

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

BEWEGING:  Grote en/of fijne motoriek moeilijker + tempo trager
TAAL: articulatie, lettervolgorde en vlotheid bij het spreken.
WAARNEMING:  sommige zintuigen beperkter.
DENKEN: problemen planning en organisatie, tijdsgebonden denken, denken met ruimtelijke verhoudingen, enz.


Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Slide 6 - Video

This item has no instructions

Begeleiding bij DCD
  • Kind stimuleren motorisch actief te zijn
  • Kind actief betrekken bij groepsactiviteiten
  • Veel gerichte aanwijzingen en stimulans geven
  • Geduld en begrip hebben, soms onrust even laten uiten

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Kinderen met DCD hebben een ontwikkelingsstoornis waarbij ze problemen hebben met hun motoriek
A
juist
B
onjuist

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

DCD IS EEN...
A
onrijpheid van de hersenen
B
onvolgroeidheid van neuronen
C
storing informatie verwerking
D
pervasieve ontwikkelingsstoornis

Slide 9 - Quiz

Onrijpheid van de hersenen, met als gevolg dat boodschappen niet goed aan het lichaam worden doorgegeven.

Onvolgroeidheid of vertraging van neuronen.

Een stoornis bij het correct verwerken van informatie.

Leidt tot moeilijkheden bij acties die niet in de hersenen zijn geprogrammeerd (Bv fietsen,  wandelen …)

DCD is een chronische aandoening
A
Juist
B
Onjuist

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Slide 11 - Video

This item has no instructions

Wat zie je terug bij Sam?

Slide 12 - Mind map

This item has no instructions

ASS =Autisme Spectrum Stoornis
  • Is beperkt in de sociale communicatie en interactie

Kenmerken;
  • Moeite met (onverwachte) veranderingen
  • Dingen letterlijk nemen 
  • Overgevoelig voor geluiden
  • Eerlijk en recht door zee

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Slide 14 - Video

This item has no instructions

Begeleiding bij ASS
  •  Laat het kind na een conflict even tot rust komen en maak daarna afspraken met hem
  • Wees duidelijk en voorspelbaar
  • Kondig veranderingen van tevoren aan
  • Denk om grapjes en/of spreekwoorden (letterlijk)

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Welke kinderen hebben last van motorische stoornissen?
A
kinderen met ADHD
B
kinderen met ASS
C
kinderen met DCD
D
kinderen met NLD

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Bij ASS hoort altijd een lage intelligentie
A
Ja, dat klopt
B
Nee, dat klopt niet

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een verschil tussen NLD en Autisme?
A
Er is geen verschil
B
NLD gaat over als je ouder wordt en autisme niet
C
Kinderen met NLD willen wel graag contact maken.
D
Bij NLD heb je geen gedrags- problemen, allen leerproblemen

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Bij ADHD is voornamelijk sprake van
A
Aandachtstekort
B
Impulsiviteit
C
Hyperactiviteit
D
Allemaal

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Wat is heel belangrijk voor iemand met ASS?
A
Variatie in het dagpatroon
B
Veel vriendschappen
C
Het uiterlijk
D
Structuur en duidelijkheid

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Vanaf ongeveer welke leeftijd kun je spreken van hoogbegaafdheid?
A
12 jaar
B
4 jaar
C
6 jaar
D
21 jaar

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Wat houdt de wet op passend onderwijs in?
A
Scholen moeten onderwijs bieden dat past bij elk kind op die school.
B
De school moet de hele dag op de leerlingen passen. Voor, onder en na schooltijd.
C
Dat alle leerlingen na hun basisschooltijd passen in de samenleving.
D
Alle kinderen moeten een plek krijgen op een school die past bij hun kwaliteiten en mogelijkheden

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Vragen?

Slide 23 - Open question

This item has no instructions