Tijdens de vakantie heb ik mijn vriend Jan mijn extra zwembroek geleend, aangezien hij zijn eigen zwembroek was vergeten.
Stap 1: Persoonsvorm (pv): “heb”
Heb ik tijdens de vakantie mijn extra zwembroek aan Jan geleend?
Tijdens de vakantie had ik mijn vriend Jan mijn extra zwembroek geleend.
Stap 1: Gezegde (gez): “heb geleend” (ALLE ww in een zin)
Stap 1: Onderwerp (ow): Wie heeft geleend? (ow + gez) : “Ik”
Stap 1: Lijdend voorwerp (lv): Wie of wat heb ik geleend? (Wie of wat + gez + ow): “mijn extra zwembroek”
Stap 1: Meewerkend voorwerp (mv): Aan wie heb ik mijn extra zwembroek geleend ? (Aan wie + gez +ow + lv): “Jan"
Stap 1: Bepaling (bep): tijdens de vakantie