Les 3 Sterke werkwoorden

Sterke werkwoorden
Zwakke werkwoorden
1 / 17
next
Slide 1: Slide
NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Sterke werkwoorden
Zwakke werkwoorden

Slide 1 - Slide

Uitlegfilmpje sterke werkwoorden

Slide 2 - Slide

Sterk ww - verleden tijd:
De klank verandert.
Je moet deze woorden uit je hoofd leren. (geen regel)
Voorbeeld: Ik sla - ik sloeg
Voorbeeld: wij slaan - wij sloegen

Voorbeeld: hij schrijft - hij schreef
Voorbeeld: jullie schrijven -  jullie schreven

Slide 3 - Slide

het meisje eet de pizza
het meisje at de pizza
nu
toen

Slide 4 - Slide

Theo en Sasha .......naar school (lopen vt)
A
loopten
B
liepen
C
loopt
D
liep

Slide 5 - Quiz

Razzia......een boek (kopen vt)
A
koopte
B
kocht
C
koopde

Slide 6 - Quiz

Schrijf in de verleden tijd:
Ik koop.

Slide 7 - Open question

Sterke werkwoorden
Zwakke werkwoorden
wij denken - wij dachten
De hond kwispelt - de hond kwispelde
Bram lacht - Bram lachtte
zij zwemt - zij zwom
de klas werkt - de klas werkte
hij mist - hij mistte

Slide 8 - Drag question

Schrijf in verleden tijd
zwemmen

Slide 9 - Open question

Zet in de verleden tijd
hij geeft

Slide 10 - Open question

Zet in de verleden tijd
wij komen

Slide 11 - Open question

Wat is goed?
A
hij kwam
B
hij kwamt
C
hij komde
D
hij kwamde

Slide 12 - Quiz

Zet in de verleden tijd
De man ......

Slide 13 - Open question

Zet in de verleden tijd
de man duikt

Slide 14 - Open question

Wat is de verleden tijd van blinken?
A
blinkten
B
blonken
C
blinkden

Slide 15 - Quiz

Zinken is een sterk werkwoord
A
waar
B
niet waar

Slide 16 - Quiz

De verleden tijd van glimmen is
A
glimden
B
glimten
C
glammen
D
glommen

Slide 17 - Quiz