H8 Nederland en het buitenland

8.1 Nederland in het buitenland
Ik kan uitleggen hoe de handel tussen Nederland en het buitenland werkt

Ik kan de begrippen import en export uitleggen
1 / 79
suivant
Slide 1: Diapositive
EconomieMiddelbare schoolvmbo lwoo, bLeerjaar 2

Cette leçon contient 79 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 6 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

8.1 Nederland in het buitenland
Ik kan uitleggen hoe de handel tussen Nederland en het buitenland werkt

Ik kan de begrippen import en export uitleggen

Slide 1 - Diapositive

Voorkennis
Een paar "warming up" vragen

  • Wat is een grondstof
  • Alle producten die je in Nederland kan kopen worden hier ook gemaakt
  • Noem een voorbeeld van een product dat uit het buitenland komt

Slide 2 - Diapositive

Import
Import = kopen van goederen en diensten uit het buitenland

Ander woord: invoer

Slide 3 - Diapositive

Importeren
Importeren van grondstoffen
Bijvoorbeeld: pinda's
Dit hebben we in Nederland niet 

Importeren van eindproducten
Bijvoorbeeld: auto's
Kan in het buitenland goedkoper of beter gemaakt worden

Slide 4 - Diapositive

Slide 5 - Diapositive

Aan de slag
Hoofdstuk 8
Basisstof 1 Nederland en het buitenland
Blz 80/81
Opdracht 1 t/m 12

Klaar? 
Boek lezen

Slide 6 - Diapositive

Goederen of diensten kopen uit het buitenland noem je
A
Export
B
Import

Slide 7 - Quiz

Een ander woord voor import is
A
Uitvoer
B
Invoer

Slide 8 - Quiz

Nederland importeert dit product, omdat het deze grondstof niet heeft
A
Olie
B
Auto
C
Kleding
D
Pinda's

Slide 9 - Quiz

3. Instructie: export

Slide 10 - Diapositive

Export
Export = verkopen van goederen (=spullen) en diensten aan het buitenland

Ander woord: uitvoer

Slide 11 - Diapositive

Export
Wat exporteren we?
Bijvoorbeeld: landbouwproducten (bloemen, vlees, groenten), machines en apparaten.

Soms importeren we producten en exporteren we die meteen weer. D meeste producten exporteren we richting Duitsland

Slide 12 - Diapositive

Slide 13 - Diapositive

Slide 14 - Diapositive

Slide 15 - Diapositive

Betalen
Wanneer je importeert moet je geld betalen

Wanneer je exporteert dan ontvang je geld

Slide 16 - Diapositive

Import betalen
Binnen de eurozone kun je betalen met de euro
Je hoeft dan geen geld te wisselen


Slide 17 - Diapositive

Export betalen
Nederlandse bedrijven leveren goederen of diensten en krijgen daar euro's (geld) voor terug

       


Slide 18 - Diapositive

Slide 19 - Diapositive

Aan de slag
Hoofdstuk 8
Basisstof 1 Nederland en het buitenland
Blz 80 t/m 82
Alle opdrachten

Klaar? 
Boek lezen

Slide 20 - Diapositive

Europa in de wereld

8.1 nakijken

Je leert de rol van de nationale en internationale handel

Slide 21 - Diapositive

Terugblik op 8.1 Nederland en het buitenland

Slide 22 - Diapositive

Wat is import?
A
goederen en diensten kopen in een ander land
B
goederen en diensten verkopen aan een ander land
C
belasting heffen voor het gebruiken van een weg
D
trots zijn op je eigen land en cultuur

Slide 23 - Quiz

Uitleg §8.2 Europa in de wereld
Aan het eind van de les....
Kan je uitleggen wat de rol van de Europese Unie is in de internationale handel.

Slide 24 - Diapositive

De Europese Unie
Binnen Europa is er een grote groep landen die met elkaar samenwerken, genaamd de Europese Unie (EU).  (27 landen)

Deze samenwerking speelt een belangrijke rol in de internationale handel.

Slide 25 - Diapositive

Vrijhandel
Internationale handel =
handel tussen verschillende landen

Vrijhandel = internationale handel zonder protectie

Slide 26 - Diapositive

Geen Handelsbelemmeringen
Fabrikanten binnen de EU kunnen hun producten zonder handelsbelemmeringen verkopen in andere EU-landen. 

Dit betekent dat ze hun goederen kunnen verhandelen zonder te hoeven betalen voor invoerrechten of andere handelsrestricties, wat de handel vergemakkelijkt en bevordert.

Slide 27 - Diapositive

Protectie
Invoerrechten = bedrijven buiten de EU moeten extra geld betalen als ze producten in de EU willen verkopen




Prijs = 40.000 euro                   Prijs = 35.000 + 6.000 invoerrechten                           

Slide 28 - Diapositive

Protectie betekent
A
Ergens voor zijn
B
Bescherming
C
Internationale handel
D
Import

Slide 29 - Quiz

Aan de slag
Maken 8.2 1 t/m 14
Blz 84/ 85

Klaar: Boek lezen

Slide 30 - Diapositive

Wie beschermt Nederlandse bedrijven door middel van protectie?
A
de Nederlandse overheid
B
de Europese Unie
C
de Eurozone
D
de Verenigde Naties

Slide 31 - Quiz

Invoerrechten
Invoerrechten zijn belastingen op ingevoerde producten die de EU kan heffen om deze producten duurder te maken. 

Bijvoorbeeld, als de EU hogere invoerrechten heft op Chinese scooters, worden deze duurder voor Europese consumenten. Dit helpt Europese bedrijven, zoals Piaggio, om concurrerender te worden.

Slide 32 - Diapositive

Slide 33 - Diapositive

Concurrentiepositie
Door invoerrechten te heffen op producten van buiten de EU, zoals uit China, beschermt de EU de concurrentiepositie van haar eigen bedrijven.

Dit betekent dat Europese bedrijven goedkoper kunnen blijven in vergelijking met buitenlandse concurrenten, wat hun marktpositie versterkt.

Slide 34 - Diapositive

Werkgelegenheid

Protectiemaatregelen kunnen helpen om de werkgelegenheid binnen de EU te behouden of te verhogen.

Aangezien bedrijven in de EU moeite kunnen hebben om te concurreren met bedrijven uit lagelonenlanden, kunnen beschermende maatregelen zoals invoerrechten ervoor zorgen dat Europese bedrijven blijven bestaan en banen behouden blijven.


Slide 35 - Diapositive

Bedrijven concurreren op basis van
A
Prijs
B
Kwaliteit
C
Prijs-kwaliteit
D
Bedrijven concurreren niet

Slide 36 - Quiz

Aan de slag
8.2 Europa in de wereld
16 t/m 31
Blz 85/86

Klaar? 
Boek lezen


Slide 37 - Diapositive

Wat is export?
A
Het kopen van goederen en diensten uit het buitenland.
B
Het verkopen van goederen en diensten aan het buitenland.
C
Het opslaan van goederen in magazijnen binnen het eigen land.
D
Het verhandelen van goederen tussen steden binnen hetzelfde land.

Slide 38 - Quiz

8.3 de productie van chocolade
Maken 1 t/m 16
Blz 88/ 89

Klaar? boek lezen
Aan de slag

Slide 39 - Diapositive

De productie van chocolade
Nakijken 8.2
Instructie

Je weet wat een ontwikkelingsland is

Slide 40 - Diapositive

Ontwikkelingslanden
= Een land waar de inkomens en de productie laag zijn.

Slide 41 - Diapositive

Slide 42 - Vidéo

Ontwikkelingsland en onderontwikkeling
Een land waar de inkomens en de productie laag is.
Kenmerken:
  • Laag inkomen 
  • Grote werkeloosheid
  • Gebrek aan sociale zekerheid
  • Snelle bevolkingsgroei
  • Weinig of geen scholing

Slide 43 - Diapositive

Grondstof/ eindproduct
Grondstoffen zijn voor rijke landen goedkoop om te kopen 
De ontwikkelingslanden verdienen er niet zo veel aan. 

 

Slide 44 - Diapositive

Een reep chocolade
Wat valt je  op aan de opbrengsten van de chocolade?

Slide 45 - Diapositive

Een reep chocolade
Stel de reep kost € 3,00

Hoeveel euro gaat er dan naar de boeren?

Hoeveel euro gaat er naar de supermarkt?

Slide 46 - Diapositive

Een reep chocolade
Boeren: 
3 : 100 x 3.2 = € 0,096

Supermarkt: 
3 : 100 x 43 = € 1,29

Slide 47 - Diapositive

Rekenvaardigheden
Percentages berekenen 

Slide 48 - Diapositive

Aan de slag
8.3 helemaal afmaken

Slide 49 - Diapositive

8.4 de opkomst van moderne bedrijven
8.3 nakijken
8.4 uitleg


Ik kan uitleggen hoe bedrijven in
ontwikkelingslanden kunnen moderniseren.
Ik kan uitleggen en welke belemmeringen er voor
modernisering zijn in ontwikkelingslanden.

Slide 50 - Diapositive

Koopkracht
De hoeveelheid producten die je kunt kopen van je geld.

Slide 51 - Diapositive

Slide 52 - Vidéo

Investeren
Investeren = Het kopen van kapitaalgoederen door bedrijven 

Een bedrijf dat bijvoorbeeld wil uitbreiden en meer producten wil produceren moet nieuwe machines erbij kopen dus investeren. 
Het doel van investeren:
  1. Meer te produceren
  2. Beter te produceren
  3. Goedkoper te produceren

Slide 53 - Diapositive

Kennis van nieuwe technieken
Naast investeringen in machines en materialen, is het cruciaal om kennis van nieuwe technieken te verwerven.
Dit kan door het volgen van cursussen en trainingen die nieuwe vaardigheden  aanleren. = Bijscholing

Slide 54 - Diapositive

Aan de slag
Maken 8.4
Opdracht 1 t/m 15
Blz 92/ 93

Klaar? 
Lezen

Slide 55 - Diapositive

Wat is koopkracht?
A
Hoeveel geld je hebt.
B
De hoeveelheid producten en diensten die je kunt kopen.
C
De hoeveelheid goederen die je kunt kopen.
D
Hoeveel euro's je kunt uitgeven.

Slide 56 - Quiz

Infrastructuur
= alle voorzieningen die nodig zijn voor vervoer en communicatie.


Slide 57 - Diapositive

Slide 58 - Vidéo

Industrialisatie
De opkomst van veel moderne industriële bedrijven.

Slide 59 - Diapositive

Belemmeringen in ontwikkelingsland om te moderniseren: 


  • Verbetering van de infrastructuur
    (zijn de basisvoorzieningen die nodig zijn voor een bedrijf, zoals wegen, elektriciteitsnetwerken, internetverbindingen en gebouwen.)

  • Steun aan bedrijven die willen industrialiseren;
    (De opkomst van Veel moderne bedrijven in een land).

  • Onderwijs en scholing

Slide 60 - Diapositive

Slide 61 - Vidéo

Wat is infrastructuur?
A
Alle bedrijven samen
B
De voorzieningen voor vervoer en communicatie
C
Alles dat nodig is voor de drinkwater voorziening
D
Alle wetten in Nederland

Slide 62 - Quiz

Rekenvaardigheden
Ik let er op dat ik:
  • Een berekening geef
  • De eenheid erbij zet: €
  • Een komma zet ipv een punt
  • 2 cijfers achter de komma zet
Rekentrainer B8.4/T8.3: Je kan werken met rekenregels zoals optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen.

Slide 63 - Diapositive

8.4 Opkomst van moderne bedrijven
maken t/m 30
Blz 92- 94

Klaar? 
Lezen



Aan de slag

Slide 64 - Diapositive

8.5 Samenwerking en handel
8.4 nakijken. 

8.5 Je kan toelichten welke vormen van ontwikkelingssamenwerking er zijn. 

Slide 65 - Diapositive

Welk begrip past bij een land waar de lonen laag zijn en de werkloosheid hoog?

Slide 66 - Question ouverte

Waarom worden er in ontwikkelingslanden weinig luxe producten verkocht?
A
De inwoners hebben er geen interesse in
B
Ze hebben niet genoeg grondstoffen
C
Ze hebben niet genoeg koopkracht

Slide 67 - Quiz

Ontwikkelingssamenwerking
= Steun aan ontwikkelingslanden met het doel de armoede te bestrijden.

Twee soorten:
  • noodhulp
  • structurele hulp

Slide 68 - Diapositive

Slide 69 - Vidéo

Ontwikkelingssamenwerking o.a.:
  • Toegang tot schoon drinkwater (waterpunten)
  • Gedragsverandering (handen wassen)
  • Landbouw
  • Betere infrastructuur

Slide 70 - Diapositive

Geld lenen: 

Als rijke landen lenen tegen gunstige voorwaarden dan kunnen ze meer geld besteden aan het eigen land. 
Stel een ontwikkelingsland leent 5 miljard. Als ze 5% rente betalen betalen ze jaarlijks: 
5 mlj : 100 x 5% = 0,25 mlj
Met 3% rente: 
5 milj : 100 x 3% = 0,15 mlj

Die 10 miljoen kunnen ze aan de ontwikkeling van het eigen land besteden

Slide 71 - Diapositive

0

Slide 72 - Vidéo

Rijke landen kunnen:
  • Geld uitlenen tegen gunstige voorwaarden;
  • Zorgen voor scholing;
  • De invoerrechten verlagen op producten uit arme landen;
  • Helpen bij de modernisering van de productie;
  • Helpen bij de verbetering van de infrastructuur;


Trade, not aid

Slide 73 - Diapositive

Aan de slag
Maken 8.5
Opdracht 1 t/m 18
Blz 96/ 97

Klaar? Rekentrainer 1 + 2 afmaken (blz 100)
Lezen

Slide 74 - Diapositive

8.5 samenwerking en handel
1 t/m 18 nakijken

Hoe kunnen rijke landen ontwikkelingslanden helpen

Slide 75 - Diapositive

Op welke manier kan een rijk land een ontwikkelingsland helpen?

Slide 76 - Question ouverte

Waarom is het nuttig voor een ontwikkelingsland als een rijk land geld leent tegen lage rente?

Slide 77 - Question ouverte

Wat kan je doen om ontwikkelingslanden te helpen?
Producten uit de wereldwinkels kopen.
Fairtrade producten kopen.

Slide 78 - Diapositive

8.5 maken
19 t/m 34 
Blz 97 - 98

Klaar? 
Lezen
Aan de slag

Slide 79 - Diapositive