Vermogensstructuur en risico (Bedrijfseconomie vwo), les 1: Uitleg

Amsterdamsche Bank aan de Herengracht, Amsterdam, ca. 1902-1930

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Vermogensstructuur en risico

Examenstof bedrijfseconomie vwo

1 / 21
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 21 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Uitleg over vermogensstructuur voor het vwo-examen bedrijfseconomie: de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen, faillissementsrisico, interest op vreemd vermogen, geëist rendement en de keuze tussen lenen en aandelen, met 5 checks.

Éléments de cette leçon

Amsterdamsche Bank aan de Herengracht, Amsterdam, ca. 1902-1930

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Vermogensstructuur en risico

Examenstof bedrijfseconomie vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: D2 22, 22.1. Image credit: Rijksmuseum / Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan analyseren hoe de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen en de keuze tussen lenen en aandelen het faillissementsrisico, de interest en het geëist rendement beïnvloeden.

Cet élément n'a pas d'instructions

Een bakkerij wil een tweede winkel openen en leent bijna alles bij de bank. Welke woorden komen bij je op?

Syllabus 22: verwachte woorden zijn lening, bank, interest, risico, faillissement, eigen geld, aandeelhouders, buffer. Sorteer ze met de klas in risico (blok 1), interest en rendement (blok 2) en lenen of aandelen (blok 3).

Werkbank in een fietsenmakerij, 2021. Alextredz, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Verhouding EV en VV

  • Een organisatie financiert zich met eigen vermogen (EV) en vreemd vermogen (VV).

  • De verhouding VV : EV zegt hoeveel vreemd vermogen er is per euro eigen vermogen.

  • Voorbeeld: EV € 100.000 en VV € 300.000. VV is 3 keer zo groot als EV, dus VV : EV = 3.

  • EV is het vermogen van de eigenaren: het vangt verliezen op en krijgt alleen wat overblijft.

Syllabus 22 en 22.1: de invloed van de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen. VV : EV = 3 betekent dat er per euro EV drie euro is geleend. De solvabiliteitsratio's als formule komen in het onderwerp kengetallen. Veelgemaakte fout: de verhouding omdraaien (EV : VV) en dan een hoge uitkomst als veilig zien. Image credit: Alextredz / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Amsterdamsche Bank aan de Herengracht, Amsterdam, ca. 1902-1930

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Faillissementsrisico

  • Meer VV ten opzichte van EV: de vaste lasten (interest en aflossing) nemen toe, ook in een slecht jaar.

  • Het faillissementsrisico is de kans dat de organisatie haar schulden niet meer kan betalen.

  • Bij een groter faillissementsrisico vragen schuldeisers een hoger interestpercentage op het VV.

  • Veel EV werkt als buffer: verliezen drukken eerst het EV en raken pas daarna de schuldeisers.

Syllabus 22.1: gevolgen van de verhouding EV/VV voor het interestpercentage op vreemd vermogen en het faillissementsrisico analyseren. De redenering is een ketting: meer VV, hogere vaste lasten, groter faillissementsrisico, hogere interest. Laat leerlingen de ketting zelf in de goede volgorde zetten. Veelgemaakte fout: denken dat meer lenen altijd goedkoper is. Image credit: Rijksmuseum / Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Het EV als buffer

  • Twee bedrijven hebben elk € 1.000.000 vermogen. A: EV € 700.000, VV € 300.000. B: EV € 200.000, VV € 800.000.

  • VV : EV is bij A ongeveer 0,43 en bij B precies 4: B heeft per euro EV vier euro geleend.

  • Beide lijden € 300.000 verlies. De bezittingen dalen naar € 700.000. Bij A blijft het EV € 400.000: de schuldeisers zijn ruim gedekt.

  • Bij B zijn de bezittingen (€ 700.000) minder dan de schulden (€ 800.000): het EV is negatief en de schuldeisers lijden verlies.

  • Daarom vragen schuldeisers van B vooraf een hoger interestpercentage, of ze lenen niet.

Syllabus 22.1: faillissementsrisico analyseren. Rekenen: A: 700.000 - 300.000 = 400.000. B: 200.000 - 300.000 = -100.000, dus bezittingen 1.000.000 - 300.000 = 700.000 tegen schulden 800.000. De bedragen zijn verzonnen om het principe te laten zien. Veelgemaakte fout: het verlies als iets zien dat de schuldeisers direct raakt: het EV vangt het eerst op.

Zet op volgorde: meer VV

1

De vaste lasten nemen toe

2

VV stijgt ten opzichte van EV

3

Het faillissementsrisico stijgt

4

Schuldeisers vragen meer interest

Syllabus 22.1. Volgorde zoals op de tweede dia: meer VV, hogere vaste lasten, groter faillissementsrisico, hogere interest. Verwachte fout: de interest eerder zetten dan het risico: de schuldeiser reageert op het risico.

Kaasmakerij Dijk heeft EV € 150.000 en VV € 450.000. Ze lijdt € 200.000 verlies. Wat is het gevolg?

A

Het EV blijft positief (€ 50.000): de schuldeisers worden niet geraakt

B

Het VV daalt met € 200.000 en het EV blijft gelijk

C

Het EV wordt € 350.000 omdat de bank het verlies draagt

D

Het EV wordt negatief (- € 50.000): de schuldeisers lijden verlies

Syllabus 22.1. Rekenen: 150.000 - 200.000 = -50.000. Het verlies is groter dan het EV, dus de schuldeisers worden geraakt. Verwachte fout: het EV als positief zien omdat de bezittingen nog bestaan, of het verlies bij het VV zoeken.

Scheepswerfkraan Eriksberg, Göteborg, 2017

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Interest op VV

  • De interest op VV is een vaste last: interestpercentage x VV, wat het resultaat ook is.

  • Voorbeeld: A betaalt 5% over € 300.000 = € 15.000 per jaar. B betaalt 8% over € 800.000 = € 64.000.

  • B betaalt een hoger percentage én over een groter bedrag, want B loopt meer faillissementsrisico.

  • Het interestpercentage is dus een prijs voor risico: meer risico voor de schuldeiser, hogere interest.

Syllabus 22.1: de gevolgen van de verhouding EV/VV voor het interestpercentage op vreemd vermogen. Rekenen: 0,05 x 300.000 = 15.000 en 0,08 x 800.000 = 64.000. De percentages zijn verzonnen. Veelgemaakte fout: het hogere percentage los zien van het risico, of vergeten dat de interest ook over een groter bedrag loopt. Image credit: W.carter / Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Geëist rendement

  • Elke verschaffer heeft een geëist rendement: het minimale rendement dat de verschaffer eist voor het risico.

  • Een schuldeiser heeft recht op vaste interest en aflossing, vaak met onderpand: laag risico, laag geëist rendement.

  • De eigenaar krijgt pas wat overblijft na interest en aflossing, en verliest als eerste: hoog risico, hoog geëist rendement.

  • Het geëist rendement van het EV ligt dus hoger dan het geëist rendement (de interest) van het VV.

Syllabus 22: invloed van de wijze van financieren op het risico en het geëist rendement van het eigen en vreemd vermogen. Kernregel: hoe meer risico voor de verschaffer, hoe hoger zijn geëist rendement. Een vermogenskostenvoet als formule vraagt de syllabus niet. Veelgemaakte fout: vreemd vermogen altijd goedkoper noemen zonder naar het risico te kijken.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Financieren en risico

  • Meer VV: het faillissementsrisico stijgt, dus de schuldeisers eisen een hoger interestpercentage.

  • Ook het EV wordt riskanter: er moeten meer vaste lasten worden betaald voordat de eigenaren iets krijgen.

  • De eigenaren gaan daarom ook een hoger rendement eisen. Meer lenen is dus niet zomaar goedkoper.

  • Meer EV: lager faillissementsrisico en lagere eisen van schuldeisers, maar het resultaat wordt gedeeld met de eigenaren.

  • Noem in een analyse altijd beide kanten: het risico en het geëist rendement van EV én van VV.

Syllabus 22 en 22.1: de invloed van de wijze van financieren analyseren. Meer VV maakt beide soorten verschaffers kritischer. Dit is de kern van een analysevraag: gevolg voor VV (interest, faillissementsrisico) en gevolg voor EV (risico en geëist rendement). Hefboomwerking en rentabiliteit horen bij het onderwerp kengetallen. Veelgemaakte fout: alleen de kant van de schuldeiser noemen.

Waarom eist EV meer rendement dan VV?

Syllabus 22. Goed: het EV draagt het risico (krijgt alleen wat overblijft en verliest als eerste), het VV heeft recht op vaste interest en aflossing. Verwachte fout: noemen dat EV meer waard is zonder naar het risico te verwijzen.

Steenhouwerij in een oud pand, Greetham, 2016. Alan Murray-Rust, CC BY-SA 2.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Lenen of aandelen

  • Een bv heeft extra geld nodig. Ze kan lenen (VV stijgt) of nieuwe aandelen uitgeven (EV stijgt).

  • Lenen: VV : EV stijgt, de vaste lasten nemen toe en het faillissementsrisico groeit.

  • Nieuwe aandelen: VV : EV daalt, de buffer groeit en de schuldeisers lopen minder risico.

  • De keuze hangt af van het risico en het geëist rendement van beide soorten verschaffers.

Syllabus 22: de invloed van de wijze van financieren op het risico en het geëist rendement van het eigen en vreemd vermogen analyseren. Nieuwe aandelen uitgeven heet een emissie; het rekenen met emissies staat in het onderwerp Aandelen en dividend. Veelgemaakte fout: denken dat de verhouding gelijk blijft omdat er in beide gevallen evenveel geld bij komt. Image credit: Alan Murray-Rust / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Rekenvoorbeeld financiering

  • Bakkerij Ruiz bv: EV € 200.000 en VV € 400.000, dus VV : EV = 2. Ze heeft € 200.000 extra nodig.

  • Lenen: het VV wordt € 600.000. VV : EV = 600.000 : 200.000 = 3.

  • Nieuwe aandelen: het EV wordt € 400.000. VV : EV = 400.000 : 400.000 = 1.

  • Na lenen vraagt de bank waarschijnlijk een hoger interestpercentage: het faillissementsrisico is groter.

  • Na nieuwe aandelen daalt het risico voor de bank, maar de nieuwe aandeelhouders eisen hun eigen rendement.

Syllabus 22 en 22.1. Rekenen: lenen 400.000 + 200.000 = 600.000, 600.000 / 200.000 = 3. Aandelen 200.000 + 200.000 = 400.000, 400.000 / 400.000 = 1. De bedragen zijn verzonnen. Veelgemaakte fout: bij nieuwe aandelen het bedrag bij het VV optellen.

Kluisdeur van De Javasche Bank, 2016. Lasthib, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Voorwaarden en VV : EV

  • Omdat ze risico lopen, stellen vermogensverschaffers voorwaarden voordat ze geld geven.

  • Een hoge VV : EV maakt die voorwaarden strenger: meer zekerheid, een hogere interest of geen lening.

  • Een bank kan bijvoorbeeld eisen dat het VV hoogstens een bepaald aantal keer zo groot is als het EV.

  • Welke voorwaarden er zijn, zoals onderpand en duurzaamheid, leer je in de les Vreemd vermogen en eisen.

Syllabus 22.1, met een brug naar 22.2. De vijf voorwaarden van vermogensverschaffers (onderpand, duurzaamheid, rendementseis, solvabiliteitseis, liquiditeitseis) worden uitgelegd in het onderwerp Vreemd vermogen en eisen; hier gaat het alleen om het verband met de verhouding EV en VV. Veelgemaakte fout: denken dat een bank aan iedereen onder dezelfde voorwaarden leent. Image credit: Lasthib / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Ruiz bv leent € 200.000 extra in plaats van nieuwe aandelen uit te geven. Wat verwacht je?

A

Een lager geëist rendement van de eigenaren

B

Een kleiner faillissementsrisico voor de bank

C

Een lager interestpercentage, want het VV is groter

D

Een hoger interestpercentage op het VV

Syllabus 22 en 22.1. Lenen verhoogt VV : EV, dus het faillissementsrisico en daarmee het interestpercentage. Verwachte fout: denken dat een grotere lening korting oplevert.

Hoe verandert VV : EV na nieuwe aandelen?

Syllabus 22.1. Goed: de verhouding daalt, want het EV stijgt en het VV blijft gelijk; daardoor daalt het faillissementsrisico. Verwachte fout: zeggen dat de verhouding stijgt omdat het totale vermogen stijgt.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Verhouding EV en VV en risico

2

Interest en geëist rendement

3

Lenen of aandelen

4

Rekenen met EV en VV

Gebruik de uitslag om te bepalen welk blok je herhaalt.

Waarom is veel VV riskant in een slecht jaar?

Een goed antwoord noemt vaste lasten (interest en aflossing) die ook bij verlies betaald moeten worden en een klein EV als buffer. Verwachte fout: alleen noemen dat leningen teruggegeven moeten worden.

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Begrippen (1/2)

  • eigen vermogen: Vermogen van de eigenaren: vangt verliezen op en krijgt wat overblijft.

  • vreemd vermogen: Geleend vermogen met recht op interest en aflossing.

  • vermogensverschaffer: Partij die vermogen geeft of leent, zoals een bank of aandeelhouder.

  • faillissementsrisico: Kans dat de organisatie haar schulden niet meer kan betalen.

  • vaste lasten: Interest en aflossing die ook in een slecht jaar betaald moeten worden.

Cet élément n'a pas d'instructions

EXAMENSTOF · FINANCIEREN · VERMOGEN

Begrippen (2/2)

  • interestpercentage: Prijs van het VV per jaar: hoger bij meer risico voor de schuldeiser.

  • geëist rendement: Minimale vergoeding die een verschaffer eist voor het risico.

  • voorwaarden: Eisen die verschaffers stellen voordat ze geld geven; strenger bij veel VV.

Cet élément n'a pas d'instructions