Fietsenwinkel, De Ruyterkade, Amsterdam, 2010 (foto: Fons Heijnsbroek, CC0)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Examentraining
Kengetallen en rentabiliteit: zo pak je examenvragen aan
Fietsenwinkel, De Ruyterkade, Amsterdam, 2010 (foto: Fons Heijnsbroek, CC0)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Examentraining
Kengetallen en rentabiliteit: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan kengetallen berekenen en in een casus de ontwikkeling over twee jaar beoordelen vanuit de stakeholder.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke stakeholder kijkt mee en welk kengetal vraagt de opgave?
2. Reken: schrijf de formule op, vul de gegevens in en gebruik het gemiddelde vermogen bij rentabiliteit.
3. Beoordeel: vergelijk met het andere jaar, noem de oorzaak en geef een oordeel vanuit de stakeholder.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Vraagtype 1: liquiditeit en solvabiliteit
Een bank beoordeelt met de current ratio, de quick ratio en EV : TV of een bv haar schulden kan betalen.
Voorbeeld: vlottende activa € 300.000, voorraad € 100.000, kort VV € 150.000: current ratio 2,0 en quick ratio (300.000 min 100.000) : 150.000 = 1,33.
Bij solvabiliteit: TV = EV + VV, dus neem de noemer van dezelfde balans.
Cet élément n'a pas d'instructions
Quick ratio 1,20, kort VV € 200.000, voorraad € 120.000. Vlottende activa?
€ 360.000
€ 240.000
€ 200.000
€ 384.000
Syllabus 32.2. Vlottende activa min voorraad = 1,20 x 200.000 = 240.000; vlottende activa = 240.000 + 120.000 = 360.000. Fout 240.000 vergeet de voorraad op te tellen, 200.000 is het kort VV, 384.000 is 1,20 x (200.000 + 120.000).
Bank eist VV : TV hoogstens 60%. EV € 270.000, VV € 480.000. Voldoet de bv?
Ja: EV : VV is 56%
Ja: EV : TV is 36%
Nee: VV : TV is 64%
Ja: VV : TV is 60%, dat mag net
Syllabus 32.2. TV = 270.000 + 480.000 = 750.000; VV : TV = 480.000 : 750.000 x 100% = 64%, boven de grens van 60%. Fout 56% is EV : VV, 36% is EV : TV, 60% ontstaat door de grens als uitkomst te nemen.
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Vraagtype 2: rentabiliteit berekenen
Bij rentabiliteit deel je door het gemiddelde vermogen: (begin + eind) : 2.
RTV = (resultaat + interestkosten) : gemiddeld TV. IVV = interestkosten : gemiddeld VV.
Voorbeeld: resultaat € 40.000, interest € 20.000, gemiddeld TV € 750.000: RTV = 60.000 : 750.000 = 8,0%.
Cet élément n'a pas d'instructions
Resultaat € 48.000, interest € 32.000; TV begin € 950.000, eind € 1.050.000: RTV?
4,8%
8,0%
7,6%
8,4%
Syllabus 32.2. Gemiddeld TV = (950.000 + 1.050.000) : 2 = 1.000.000. RTV = (48.000 + 32.000) : 1.000.000 x 100% = 8,0%. Fout 4,8% vergeet de interest, 7,6% gebruikt het eind-TV, 8,4% het begin-TV.
Interest € 21.000, gem. VV € 350.000. IVV?
Syllabus 32.2. IVV = 21.000 : 350.000 x 100% = 6,0%. Veelgemaakte fout: delen door het EV of door het TV.
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Vraagtype 3: rendement voor de belegger
Dividendrendement = dividend per aandeel : gemiddelde beurskoers x 100%. Alleen het dividend telt.
Beleggersrendement = (opbrengst + koersresultaat) : gemiddeld belegd vermogen x 100%.
Een koersdaling is een negatief koersresultaat en verlaagt het beleggersrendement.
Cet élément n'a pas d'instructions
Dividend € 1,80, gemiddelde koers € 45, koerswinst € 3. Dividendrendement?
10,7%
6,7%
0,4%
4,0%
Syllabus 32.2, begrippen 32. 1,80 : 45 x 100% = 4,0%. Fout 10,7% is (1,80 + 3) : 45 en dus het beleggersrendement, 6,7% is alleen de koerswinst, 0,4% is een kommafout.
Gem. belegd € 20.000; dividend € 500; koersverlies € 1.100. Beleggersrendement?
2,5%
-5,5%
8,0%
-3,0%
Syllabus 32.2. (500 - 1.100) : 20.000 x 100% = -3,0%. Fout 2,5% is alleen het dividend, -5,5% alleen het koersverlies, 8,0% telt het koersverlies als winst.
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Vraagtype 4: ontwikkeling beoordelen
Casus Lenssen Schoonmaak bv, jaar 1 naar jaar 2: current ratio 1,80 naar 1,30; quick ratio 1,20 naar 0,80.
EV : TV steeg van 30% naar 36%. RTV 8,0% naar 7,0%; IVV 5,0% naar 6,0%; REV 15,0% naar 8,8%.
Vergelijk per kengetal, zoek de oorzaak in teller of noemer en kies het perspectief van de stakeholder.
Let op: een verschil tussen twee percentages noem je procentpunt.
Cet élément n'a pas d'instructions
Hoe groot is de interestmarge van Lenssen in jaar 2?
3,0 procentpunt
1,0 procentpunt
2,8 procentpunt
1,0 procent
Syllabus begrippen 32 en 32.4. Marge = RTV min IVV = 7,0 - 6,0 = 1,0 procentpunt. Fout 3,0 is de marge in jaar 1, 2,8 is REV min IVV, 1,0 procent is de eenheid verkeerd.
Wat concludeert de bank van Lenssen uit de ontwikkeling?
Solvabiliteit slechter, liquiditeit beter
Zowel solvabiliteit als liquiditeit slechter
Solvabiliteit beter, liquiditeit slechter
Zowel solvabiliteit als liquiditeit beter
Syllabus 32.4. EV : TV steeg (solvabiliteit beter), current en quick ratio daalden (liquiditeit slechter). Fout 'beide slechter' laat zich leiden door de lagere REV, die voor een belegger telt.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Liquiditeit en solvabiliteit
Rentabiliteit berekenen
Rendement voor de belegger
Ontwikkeling beoordelen
Bespreek het gekozen vraagtype na met een nieuwe casus van de leerlingen zelf.
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Tips voor op het examen
Schrijf de formule altijd eerst op: Bijlage 4 staat niet in het examen.
Rentabiliteit: gemiddeld vermogen, dus begin plus eind gedeeld door 2.
Verschil tussen percentages: procentpunt, niet procent.
Cet élément n'a pas d'instructions