Geld, sparen en lenen (Economie vmbo), les 3: Terugblik quiz

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Quiz

Terugblik: Geld, sparen en lenen

1 / 14
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

Cette leçon contient 14 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz met elf vragen over geldfuncties, bankrekening, sparen, rente, leenvormen en kredietkosten voor vmbo.

Éléments de cette leçon

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Quiz

Terugblik: Geld, sparen en lenen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Avij / Wikimedia Commons, publiek domein

Je vergelijkt de prijs van twee telefoons in euro's. Welke geldfunctie?

A

Rekenmiddel

B

Ruilmiddel

C

Spaarmiddel

D

Leenmiddel

Prijzen in euro's vergelijken is de functie rekenmiddel.

Vul in

Een creditsaldo is een tegoed, de bank betaalt je dan soms creditrente.

creditsaldo
creditrente
debetsaldo
debetrente

Tegoed hoort bij creditsaldo en creditrente. Alleen KB en GL/TL.

Vul in

Je kunt sparen voor een doel, uit voorzorg of voor de renteopbrengst.

doel
voorzorg
renteopbrengst
calamiteit
looptijd

De drie motieven om te sparen.

De boiler van gezin De Vries valt uit en er is geen spaargeld. Welk motief om te lenen?

A

Een eigen woning kopen

B

Een calamiteit opvangen

C

Renteopbrengst krijgen

D

Sparen voor een doel

Een onverwachte kapotte boiler is een calamiteit.

Wat is een kenmerk van een doorlopend krediet?

A

Je leent één vast bedrag met vaste termijnen

B

Het product blijft van de verkoper tot het einde

C

Je betaalt alleen voor gebruik, zonder eigendom

D

Opnemen tot een maximum, aflossen en weer opnemen

De andere opties horen bij persoonlijke lening, huurkoop en leasing.

Wie is eigenaar bij koop op afbetaling?

A

De koper, meteen na de aankoop

B

De verkoper, tot de laatste termijn

C

De bank, tot alles is afbetaald

D

De leasemaatschappij, ook daarna

Bij koop op afbetaling is het product meteen van jou. De verkoper als eigenaar hoort bij huurkoop.

Wat zijn kredietkosten?

A

Het bedrag dat je leent

B

De rente die je krijgt over spaargeld

C

Alle extra kosten die je betaalt voor lenen

D

Het bedrag dat je per maand aflost

Kredietkosten zijn de extra kosten van lenen, zoals rente. Alleen KB en GL/TL.

Wat doe je met koopkracht in de tijd als je leent?

A

Je bewaart koopkracht voor later

B

Je maakt je koopkracht voor altijd kleiner

C

Je haalt koopkracht uit de toekomst naar nu

D

Je maakt de rente van de bank kleiner

Lenen is nu uitgeven en later terugbetalen; sparen is het omgekeerde.

Zet op volgorde, van eerst naar laatst

1

Je lost maandelijks af en betaalt rente

2

Je koopt de fiets

3

Je hebt een geldtekort voor een nieuwe fiets

4

Je leent geld van de bank

Eerst het tekort, dan lenen, kopen en daarna aflossen met rente.

Esra zet 1.000 euro 2 jaar weg tegen 5% samengestelde interest. Eindbedrag?

A

1.102,50 euro

B

1.100 euro

C

1.050 euro

D

1.150 euro

Alleen GL/TL. 1.000 x 1,05 = 1.050 en 1.050 x 1,05 = 1.102,50. Verwachte fout: 1.100 (enkelvoudig, geen rente over rente).

Wat betekent het als je rood staat?

Goed: je saldo is onder nul (debetsaldo): je gaf meer uit dan er op je rekening stond, en je betaalt debetrente.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

CONSUMPTIE · SPAREN EN LENEN

Goed gedaan!

Je kent nu de geldfuncties, de bankrekening, sparen, rente en lenen. Gebruik bij elke examenvraag: past dit bij sparen, bij lenen of bij de bankrekening?

Cet élément n'a pas d'instructions