Ruil over de tijd en rente (Economie vwo), les 3: Terugblik quiz

TIJD · RUIL EN RENTE

Quiz

Terugblik: Ruil over de tijd en rente

1 / 15
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 15 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz met twaalf vragen over ruil over de tijd, rente, risico en kapitaal.

Éléments de cette leçon

TIJD · RUIL EN RENTE

Quiz

Terugblik: Ruil over de tijd en rente

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: C messier / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een student leent nu voor een studie en lost later af. Wat is dit?

A

Intertemporele ruil: koopkracht van nu naar later schuiven

B

Een investering in publiek kapitaal

C

Sparen met een negatieve rente

D

Intertemporele ruil: koopkracht van later naar nu halen

Lenen haalt koopkracht naar nu. Verwachte fout: de richting omdraaien.

Wat gebeurt er bij een hogere tijdsvoorkeur?

A

Je spaart minder en leent eerder

B

Je spaart meer en leent minder

C

Je vraagt een lagere rente om te lenen

D

Je mijdt onzekerheid sterker

Hogere tijdsvoorkeur: nu belangrijker dan later. Verwachte fout: dit met risicoaversie verwarren.

Wie is het meest risicoavers?

A

Wie liever 50% kans op 220 euro heeft dan 100 euro zeker

B

Wie een lening afsluit voor een huis

C

Wie liever 100 euro zeker heeft dan 50% kans op 220 euro

D

Wie nu liever consumeert dan later

Een risicoavers persoon kiest de zekere uitkomst, ook al is de verwachte waarde (110) hoger. De andere opties gaan over risico zoeken of tijdsvoorkeur.

Hoogste naar laagste contante waarde, bij 10% rente

1

1.200 euro over 2 jaar

2

1.200 euro nu

3

1.200 euro over 3 jaar

4

1.200 euro over 1 jaar

Hoe later het bedrag, hoe vaker je deelt door 1,1: 1.200; 1.090,91; 991,74; 901,58.

Vul in

Rente beloont het uitstellen van consumptie en het dragen van risico, en is een compensatie voor inflatie die koopkracht aantast.

consumptie
risico
inflatie
liquiditeit
looptijd

Drie onderdelen van de rente (E1.4).

Welk bezit is het minst liquide?

A

Geld op een betaalrekening

B

Een spaarrekening zonder opzegtermijn

C

Een woning

D

Een staatsobligatie die dagelijks verhandeld wordt

Een woning verkopen kost tijd en soms waardeverlies. De andere opties zijn snel en zonder verlies in geld om te zetten.

Waarom is de rente op consumentenkrediet vaak hoger dan op een staatsobligatie?

A

Meer kans op wanbetaling en meer risico voor de kredietgever

B

De staat heeft een lagere tijdsvoorkeur

C

Consumentenkrediet heeft altijd een hogere liquiditeit

D

De staat verwacht meer inflatie

Risico op wanbetaling verklaart het verschil. Verwachte fout: tijdsvoorkeur of inflatie als verklaring.

Een bank kent een nieuwe lener niet en weet niet hoe riskant zijn plannen zijn. Welk probleem speelt?

A

Inflatierisico: de bank verwacht hogere prijzen

B

Liquiditeit: de bank kan niet uitlenen

C

Voorraadprobleem: de lener heeft geen vermogen

D

Informatieasymmetrie: de lener weet meer dan de bank

De lener heeft meer informatie dan de kredietgever. De bank vraagt vaak een risico-opslag of weigert.

Spaarders verwachten dat de inflatie van 2% naar 4% stijgt. Wat gebeurt er met de nominale rente die ze eisen?

A

Die daalt, omdat sparen minder aantrekkelijk wordt

B

Die stijgt, om de reële rente op peil te houden

C

Die blijft gelijk, inflatie raakt alleen leners

D

Die wordt gelijk aan de reële rente

Inflatierisico: aanbieders van vermogen eisen een hogere nominale rente. Verwachte fout: denken dat inflatie de rente niet beïnvloedt.

Een spaartegoed stijgt met 2%, maar je kunt er minder mee kopen. Wat is er gebeurd?

A

De inflatie was hoger dan 2%: de reële rente is negatief

B

De nominale rente was negatief

C

De reële rente is positief gebleven

D

Het tegoed is een stroomgrootheid geworden

Nominaal meer euro's, maar prijsstijging groter dan 2%: reëel minder koopkracht.

Een gezin heeft 3.000 euro vermogen en spaart dit jaar 1.500 euro (zonder rente). Vermogen aan het eind?

A

1.500 euro

B

3.000 euro

C

4.500 euro

D

6.000 euro

Vermogen eind = begin + sparen: 3.000 + 1.500 = 4.500. Het vermogen is een voorraad, het sparen een stroom.

Een bakker volgt een cursus bedrijfsvoering. Wat voor investering is dit?

A

Een investering in publiek kapitaal

B

Een investering in menselijk kapitaal

C

Een investering in een kapitaalgoed

D

Een investering in een voorraadgrootheid

Kennis en vaardigheden zijn menselijk kapitaal, een vorm van privaat kapitaal.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

TIJD · RUIL EN RENTE

Goed gedaan!

Je rekent nu met eindwaarde, contante waarde en reële rente en kunt uitleggen waarom rentes verschillen.

Cet élément n'a pas d'instructions