TIJD · RUIL EN RENTE
Quiz
Terugblik: Ruil over de tijd en rente
TIJD · RUIL EN RENTE
Quiz
Terugblik: Ruil over de tijd en rente
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: C messier / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Een student leent nu voor een studie en lost later af. Wat is dit?
Intertemporele ruil: koopkracht van nu naar later schuiven
Een investering in publiek kapitaal
Sparen met een negatieve rente
Intertemporele ruil: koopkracht van later naar nu halen
Lenen haalt koopkracht naar nu. Verwachte fout: de richting omdraaien.
Wat gebeurt er bij een hogere tijdsvoorkeur?
Je spaart minder en leent eerder
Je spaart meer en leent minder
Je vraagt een lagere rente om te lenen
Je mijdt onzekerheid sterker
Hogere tijdsvoorkeur: nu belangrijker dan later. Verwachte fout: dit met risicoaversie verwarren.
Wie is het meest risicoavers?
Wie liever 50% kans op 220 euro heeft dan 100 euro zeker
Wie een lening afsluit voor een huis
Wie liever 100 euro zeker heeft dan 50% kans op 220 euro
Wie nu liever consumeert dan later
Een risicoavers persoon kiest de zekere uitkomst, ook al is de verwachte waarde (110) hoger. De andere opties gaan over risico zoeken of tijdsvoorkeur.
Hoogste naar laagste contante waarde, bij 10% rente
Hoe later het bedrag, hoe vaker je deelt door 1,1: 1.200; 1.090,91; 991,74; 901,58.
Vul in
Rente beloont het uitstellen van consumptie en het dragen van risico, en is een compensatie voor inflatie die koopkracht aantast.
Drie onderdelen van de rente (E1.4).
Welk bezit is het minst liquide?
Geld op een betaalrekening
Een spaarrekening zonder opzegtermijn
Een woning
Een staatsobligatie die dagelijks verhandeld wordt
Een woning verkopen kost tijd en soms waardeverlies. De andere opties zijn snel en zonder verlies in geld om te zetten.
Waarom is de rente op consumentenkrediet vaak hoger dan op een staatsobligatie?
Meer kans op wanbetaling en meer risico voor de kredietgever
De staat heeft een lagere tijdsvoorkeur
Consumentenkrediet heeft altijd een hogere liquiditeit
De staat verwacht meer inflatie
Risico op wanbetaling verklaart het verschil. Verwachte fout: tijdsvoorkeur of inflatie als verklaring.
Een bank kent een nieuwe lener niet en weet niet hoe riskant zijn plannen zijn. Welk probleem speelt?
Inflatierisico: de bank verwacht hogere prijzen
Liquiditeit: de bank kan niet uitlenen
Voorraadprobleem: de lener heeft geen vermogen
Informatieasymmetrie: de lener weet meer dan de bank
De lener heeft meer informatie dan de kredietgever. De bank vraagt vaak een risico-opslag of weigert.
Spaarders verwachten dat de inflatie van 2% naar 4% stijgt. Wat gebeurt er met de nominale rente die ze eisen?
Die daalt, omdat sparen minder aantrekkelijk wordt
Die stijgt, om de reële rente op peil te houden
Die blijft gelijk, inflatie raakt alleen leners
Die wordt gelijk aan de reële rente
Inflatierisico: aanbieders van vermogen eisen een hogere nominale rente. Verwachte fout: denken dat inflatie de rente niet beïnvloedt.
Een spaartegoed stijgt met 2%, maar je kunt er minder mee kopen. Wat is er gebeurd?
De inflatie was hoger dan 2%: de reële rente is negatief
De nominale rente was negatief
De reële rente is positief gebleven
Het tegoed is een stroomgrootheid geworden
Nominaal meer euro's, maar prijsstijging groter dan 2%: reëel minder koopkracht.
Een gezin heeft 3.000 euro vermogen en spaart dit jaar 1.500 euro (zonder rente). Vermogen aan het eind?
1.500 euro
3.000 euro
4.500 euro
6.000 euro
Vermogen eind = begin + sparen: 3.000 + 1.500 = 4.500. Het vermogen is een voorraad, het sparen een stroom.
Een bakker volgt een cursus bedrijfsvoering. Wat voor investering is dit?
Een investering in publiek kapitaal
Een investering in menselijk kapitaal
Een investering in een kapitaalgoed
Een investering in een voorraadgrootheid
Kennis en vaardigheden zijn menselijk kapitaal, een vorm van privaat kapitaal.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
TIJD · RUIL EN RENTE
Goed gedaan!
Je rekent nu met eindwaarde, contante waarde en reële rente en kunt uitleggen waarom rentes verschillen.
Cet élément n'a pas d'instructions