CH1 Holliday times

Chapter 1: Holiday Times
1 / 30
suivant
Slide 1: Diapositive
EngelsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

Cette leçon contient 30 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min
Signaler cette leçon

Éléments de cette leçon

Chapter 1: Holiday Times

Slide 1 - Diapositive

B Theme words
Check homework
Theme words 
Exercises

I cab use words about traveling and packing my suitcase

Slide 2 - Diapositive

Theme words
page 36; welke weet je al?

Slide 3 - Diapositive

Theme words
Page 38; welke weet je al?

Slide 4 - Diapositive

Woordjes leren, hoe doe je dat ook alweer: 

Schrijf de woordjes over
 Maak een mindmap
Maak flash-kaartjes
Laat je overhoren
Slim stampen

Aan de slag

1B theme words
Exercises 11 - 15
page 36- 38
Learn the words

Slide 5 - Diapositive

1D speaking& stones
Check homework
Theme words 
Exercises
Learn the words

I can talk about my holiday experiences and describe other people.

Slide 6 - Diapositive

Welk woord past in de zin:
The house is ______ the street
A
overside
B
across
C
abroad
D
destination

Slide 7 - Quiz

Welk woord past bij het plaatje
A
Rent
B
Wave
C
Sail
D
Raincoat

Slide 8 - Quiz

Welk woord past bij het plaatje
A
Toothbrush
B
Headphones
C
Toothpaste
D
luggage

Slide 9 - Quiz

Page 44
Opdracht 24a

Slide 10 - Diapositive

Page 44
Opdracht 24b

Slide 11 - Diapositive

Theme words
page 45; welke weet je al?

Slide 12 - Diapositive

Slide 13 - Diapositive

Slide 14 - Diapositive

Theme words
Nieuwe zinnen maken met de stones

Slide 15 - Diapositive

Slide 16 - Diapositive

Woordjes leren:

Flitskaartjes maken
Woorden overschrijven (Engels en Nederlands)
Slim stampen

Aan de slag

1D Speaking & Stones
Exercises 24 & 26
page 45
Learn the words

Slide 17 - Diapositive

1E writing & Grammar
Nakijken
Uitleg Past simple


I can write about what happend in the past.

Slide 18 - Diapositive

Past Simple
Je gebruikt de Past Simple als iets gebeurd is in de verleden tijd en ook beëindigd is.

Wij noemen de Past Simple de Verleden Tijd.


Slide 19 - Diapositive

 Regelmatige werkwoorden (rww)

Achter het werkwoord plaats je 'ed'

I walk -> I walked
it rains-> it rained
they beg-> they begged

Slide 20 - Diapositive

 Regelmatige WW Spelling
Regelmatige werkwoorden: blijven hetzelfde
Als een werkwoord eindigt op -e, dan komt er in de past simple alleen een -d achter:
I live - I lived, you move - you moved

In de past simple wordt de laatste medeklinker verdubbeld als er één klinker voor staat:
I drop - I dropped, they plan - they planned

Slide 21 - Diapositive

 Regelmatige WW Spelling
Als een werkwoord eindigt op -y, dan komt er in de past simple een -ied achter:
I carry- I carried
you study- you studied

In de past simple komt er een -ed achter als er een klinker voor staat:
I play - I played

Slide 22 - Diapositive

Past Simple - Onregelmatige werkwoorden

Sommige werkwoorden zijn onregelmatig en dat betekent dat ze geen '-ed' krijgen maar hun eigen vorm hebben.

to write  -> wrote    I wrote her a letter last week.
to go       -> went      He went to Italy last year.
to make -> made     They made a very nice meal two days ago.

Slide 23 - Diapositive

Past Simple - Onregelmatige WW
Er zijn geen regels voor de Onregelmatige WW, je moet ze uit je hoofd leren. Je pakt voor de Past Simple de 2e kolom.

see - saw - seen
come - came - come

Slide 24 - Diapositive

Regelmatige werkwoorden: 
ED toevoegen
als er al een E staat dan een
Eindigen op 1 klinker+ 1 medeklinker dan voeg je een medeklinker + ED 
Eindigen met Y dan verander je het in IED
Onregelmatige werkwoorden:
LEREN
Maken: 
1E writing & grammar
Opdracht 31 en 32
Blz 49/ 50
Woorden leren 

Slide 25 - Diapositive


Wat is de Past Simple van work
A
works
B
worked
C
working
D
work

Slide 26 - Quiz


Wat is de Past Simple van help
A
helping
B
helped
C
helps
D
help'd

Slide 27 - Quiz


Wat is de Past Simple van study
A
studyd
B
studyied
C
studyed
D
studied

Slide 28 - Quiz


Wat is de Past Simple van buy
A
buyed
B
bought
C
boughd
D
bught

Slide 29 - Quiz


I ..... a sandwich yesterday.
A
eat
B
drink
C
drank
D
ate

Slide 30 - Quiz